Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

In goede handen
Verkondiging op de laatste zondag van het kerkelijk jaar

Zondag 22 november 2020
Het Centrum te Nijverdal

Uitgezonden via Kerkomroep en Youtube

 

“Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij waken, hetzij wij slapen, samen met Hem zouden leven” (1 Tessalonicenzen 5:10 - HSV)



‘Ik ga slapen, ik ben moe. ‘k Sluit mijn beide oogjes toe. Here, houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht’. Dit kindergebedje zal velen bekend in de oren klinken. Voor ouders, die hun kinderen in bed stoppen, is het al heel lang een geliefd gebedje. Ook voor mij. Pakweg 60 jaar geleden waren het woorden die in mijn oren klonken voordat ik slapen ging. Later was het één van de gebeden die mijn vrouw en ik onze kinderen aanleerden. Tegenwoordig kennen onze kleinkinderen deze woorden al weer bijna uit hun hoofd. Al weten ze nog niet precies wat die ouderwetse woorden betekenen, ze zingen het mee. Ze slapen ermee in. ‘Ga maar lekker slapen, welterusten…’
Misschien verlang je terug naar die kindertijd. Ik hoop dat voor je. Vroeger aan het einde van een mooie onbezorgde dag kon je zó inslapen. Ik hoop dat je het nóg kunt. Dat je niet lijdt aan slapeloosheid. Niet vaak wakker schrikt door een nachtmerrie. Je kunt alle zorgen even onbekommerd achter je laten. Je kunt je verdriet aan de HEER overgeven. In het vertrouwen dat Hij er is. Ook in deze nacht houdt Hij over jou getrouw de wacht. Je gelooft dat je mag zijn in Zijn goede handen.

Als Paulus aan de Tessalonicenzen schrijft over slapen en waken, bedoelt hij daarmee waarschijnlijk niet (of niet alleen) de letterlijke slaap of het letterlijke wakker zijn. In het gedeelte dat we hebben gelezen is slapen niet zo weldadig, niet zo zoet. Paulus gebruikt het beeld van slapende mensen, die niet in de gaten hebben dat een dief in hun huis inbreekt. Hij vergelijkt dat met de komst van de ‘dag van de HEER’. De dag dat God ingrijpt in het wereldgebeuren. De dag dat Jezus komt om te oordelen de levenden en de doden. De dag dat Gods Koninkrijk zich baan breekt op aarde. Daar moet je klaar voor zijn. Met de komst van die dag moet je rekening houden, bedoelt Paulus. Waakzaam zijn. In die verwachting leven. Daar op hopen. Dus niet slapen, maar wakker blijven. In geloof, liefde en vooral met hoop moet je leven. Wees niet suf en slaperig. Wees waakzaam, alert, op je hoede, want de HEER komt.
Helaas kunnen wij mensen dat niet altijd opbrengen. Soms is de moed verloren. Soms valt er niets goeds meer te verwachten. Soms is alle hoop vervlogen. Door alles wat er in de wereld gebeurt. Maar vooral door dat wat er in jouw eigen leven is gebeurd. Door de dingen die je meemaakt. In het bijzonder denken we vandaag dan aan het grote verdriet dat de dood teweeg brengt. Je moet afscheid nemen van een geliefde. Na lange jaren lief en leed gedeeld te hebben met je echtgenoot, moet je nu alleen verder. Of jouw liefdevolle vader of moeder, die altijd voor je klaar stond, is er nu niet meer. Je mist die ene: ouder, vriend, kind, broer, zus. Misschien wel lang geleden gestorven. Definitief heengegaan. De dood is onherroepelijk. Het wordt nooit meer anders. Als je dat tot je door laat dringen, zinkt de moed je in de schoenen. Dan is er toch geen hoop meer? Geen licht meer aan het einde van de tunnel? Maar dan klinkt in je oren de oproep: ‘Ontwaak!’. Word wakker uit je boze droom. Want je geliefden zijn niet ‘weg’. Het verdriet is niet voor eeuwig. Eén houdt over ons getrouw de wacht. Hij de HEER van dood en leven, Jezus Christus. Hij is voor ons gestorven, opdat wij zouden leven met Hem. Bij Hem ben jij, bij Hem zijn onze geliefden in goede handen.
Slapen – dat is ook een bekend beeld voor sterven. Wij spreken van de doodsslaap. Dat kan iets moois hebben. Iemand kan na een lange strijd, aftakeling, de rust vinden. Die rust gun je hem of haar. ‘Ga nu maar, rust nu maar uit. Je hebt je strijd gestreden’, denk je dan, zeg je dan. Het is goed zo. Het is genoeg geweest. 
Het kan ook zijn dat je daar helemaal niet aan wilt. Omdat het nog lang geen tijd is om te ontslapen. Veel te vroeg om de ogen te sluiten. Die doodsslaap is niet zoet en bovendien zo onverbiddelijk. Er is geen wakker worden na het slapen gaan. De slaap van de dood lijkt geen einde te hebben. 
En dan toch geloven. Toch vertrouwen: we zullen leven. Leven met Hem – met de HEER die komt. Die zeker komt als bij het dochtertje van Jaïrus. Om haar wakker te maken, op te wekken uit de dood.
Op Hem wachten, waken, wakker. Maar ook bij tijd en wijle in slaap kunnen vallen. Je overgeven. Je kunt niet altijd wakker blijven. Als mens, kwetsbaar als een kind, heb je rust nodig. Je moet jezelf van tijd tot tijd uit handen geven. Je moet ook je geliefden loslaten. Aan het einde van de dag leg je je te slapen. Aan het einde van je leven moet je je ogen sluiten. En toch altijd wakker. Waakzaam in de hoop. Nooit vergeten: Ik kan niet dieper vallen dan in Gods eigen hand. Ik mag mij geborgen weten – in goede handen.