Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

IN ALLE TALEN...

Kerkdienst op 9 juni 2019 (eerste Pinksterdag) 
Lezingen: Jeremia 31:31-34 en Handelingen 2:1-13


“Wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden” (Handelingen 1:11b)

Vrijwel niets in het leven is zo belangrijk als een warm nest. Geboren worden in een liefdevol gezin. Een vader en moeder, die van je houden, je koesteren en knuffelen. Die jou de warmte geven, die je nodig hebt. Liefdevolle handen, die jou in de wieg leggen en op zijn tijd weer uit halen. Als je dat niet meekrijgt in je eerste levensjaren, zeggen psychologen, zul je daar later de gevolgen van ondervinden. Geborgenheid in je kinderjaren zorgt voor een basis van zelfvertrouwen. Daar kun je levenslang op bouwen. Een warm nest geeft een goede start aan je leven.

Maar kleintjes worden groot. Je kunt niet altijd onder moeders vleugels of vaders vlerken blijven zitten. Langzaam maar zeker wordt de band met vader en moeder losser. Er komt een dag, dat je niet meer met je duim in de mond bij papa of mama op schoot wil zitten. Daar voel je je te groot voor. Je gaat niet meer braaf aan het handje. Je zoekt je eigen weg. Toch blijft, als het goed is, diep in je hart de herinnering aanwezig. Die warmte, die aandacht, dat heerlijke gevoel van je ouderlijk huis. Soms komt het bij je boven. Dan is er herkenning. Een vonk slaat over. Liefde ontbrandt.

Zo ongeveer moet het gegaan zijn op de Eerste Pinksterdag in Jeruzalem. Op het geluid van een geweldige windvlaag stromen vele mensen samen. Joodse mensen, maar wel Joodse mensen met heel verschillende achtergronden. De stad Jeruzalem is een Joodse stad, maar met een bonte verscheidenheid aan culturen. Een Joodse multiculturele samenleving.

Hoe dat komt? Joden leven al eeuwenlang verspreid over de gehele wereld. Ook nu nog, anno 2019. Het grootste gedeelte van het Joodse volk woont buiten de staat Israël. Deze ‘diaspora’, deze ‘verstrooiing’ van het Joodse volk over de wereld, is al ver voor Christus begonnen. Veel Joden werden uit moederstad en vaderland verdreven. Gedwongen. Ook trokken veel Joden in de loop der eeuwen vrijwillig de wijde wereld in. Als kooplieden en handelaars. Tot op de dag van vandaag wonen er daarom overal ter wereld Joden. Vaak wonen ze er al honderden jaren, generaties lang. Langzaam maar zeker hebben zij zich aangepast aan de leefwereld, waarin zij wonen. Wat taal betreft bijvoorbeeld. Het is gegaan zoals met de Hollandse emigranten naar Canada of Australië. Grootvader sprak vloeiend Hebreeuws. Vader heeft het nog als tweede taal. Hij spreekt het met moeder de vrouw thuis. Zoon en dochter zijn de taal van het oude vaderland bijna helemaal verleerd. Ze spreken alleen nog de taal van het gebied waarin ze zijn geboren en opgegroeid. Op straat en op je werk moet je je kunnen redden met de taal van het volk, waartussen je leeft. Dus spreek je in Perzië Perzisch. In Egypte koptisch. In Arabië Arabisch. Inburgeringcursussen waren er niet. Het ging allemaal vanzelf. De jeugd raakt wat taal betreft langzaam maar zeker los van het voorgeslacht. Tot op zekere hoogte. Het Hebreeuws is namelijk taal van je diepste wortels. Van je religie. In de synagoge wordt Hebreeuws gesproken. De relatie met de HEER, de God van Israël, beleef je in die oude taal. De band met vaderland Israël blijft de eeuwen door bestaan. Hoe ver weg je ook bent, het verlangen naar moederstad Jeruzalem blijft branden. ‘Hoe zou ik jou vergeten, Jeruzalem?’

Veel Joden besluiten daarom op zeker moment in hun leven naar Jeruzalem te vertrekken. Vaak als de bloei van het leven ten einde loopt. Op je oude dag. Dan ga je, als je kunt, terug naar Jeruzalem. Om daar te sterven. Je wilt het liefst dichtbij de stad Jeruzalem begraven worden. Bij voorkeur op de flanken van de Olijfberg met uitzicht (nou ja…) op de tempel.

En daarom - om dit lange verhaal kort te maken - is Jeruzalem een smeltkroes van multiculturele Joden. Afkomstig uit vele volkeren der aarde. Parthen, Meden, Elamieten.... Lucas somt een heel waslijstje op. Landen, waar ze stuk voor stuk een eigen moedertaal hebben. De taal van het land, waarin je bent geboren. Als Perzische, Egyptische, Mesopotamische Jood… De taal, waarmee je moeder je riep om te komen eten: ‘Sarah, binnen komen’. De taal van je vriendjes op straat: ‘Bram, ga je mee voetballen?’. Of de taal op het veld, waar je rogge moest binden of hooi moest laden: ‘Moshè, werk eens even door. Het werk moet vanavond nog af, hoor’.

Natuurlijk kennen veel Joden in Jeruzalem dus ook nog die taal van de synagoge, de taal van de Bijbel, het Hebreeuws. En wie een beetje meer opleiding heeft dan lagere school, leert ook al snel een mondje Grieks: De wereldtaal van die dagen. Het ‘Engels’ van het Romeinse Rijk. Maar ja, die talen Hebreeuws en Grieks hebben toch niet dat vertrouwde. Die warme klank. Dat ‘nabije’ van vroeger, van je jeugd. Het blijven toch altijd vreemde talen. De woorden blijven op afstand. Je kunt ze niet zonder erbij na te denken begrijpen. Zoals dat gaat, als je op vakantie in een vreemd land bij de ‘boulangerie’ brood moet kopen. Je moet van tevoren bedenken, welk soort ‘pain’ of ‘baguette’ je moet vragen. Je moet toch altijd weer even nadenken als de verkoopster ‘cinqante francs et onze centimes’ tegen je zegt. Je kunt dat bedrag niet zo snel uit je portemonnee flappen.

Joden, die op hun oude dag in Jeruzalem komen wonen, spreken alleen thuis nog maar die vertrouwde taal van vroeger. Met eigen man of vrouw en nog met enkele volksgenoten, die ook in Jeruzalem zijn komen wonen. Op straat hoor en spreek je internationaal: algemeen beschaafd Grieks. In de synagoge of op het tempelplein klinken religieus verantwoord Hebreeuwse woorden.

Maar stel je nou toch voor! Die eerste Pinksterdag! Ik word om negen uur 's morgens opgeschrikt door het geluid als van een hevige windvlaag. Ik ga mijn huis uit - nieuwsgierig op zoek naar wat dát te betekenen heeft. Kijk, daar zie ik een groep mensen bij elkaar. Eenvoudige mannen en vrouwen. Zo te zien aan hun kleren vissers of arbeiders uit het Noorden van het land. Maar als zij hun mond opendoen, komen er klanken uit, die ik herken! Klanken van vroeger. Mijn eigen taal, ja zelfs mijn eigen dialect. De taal van de streek, waarin ik geboren ben. Ik voel in die woorden de warmte van thuis. Ik voel, ik ruik het warme nest. De herinnering van vroeger wordt wakker. Wonderlijk vertrouwd klinkt het in mijn oren. Als muziek. Prachtige muziek, die een gevoelige snaar raakt. Ik herken het uit duizenden. Vertrouwde klanken. Woorden als van vroeger, bij vader en moeder thuis. Plotseling is er herkenning, een vonk slaat over. Liefde ontbrandt.

- De kerk kampt in onze tijd - zo zegt men - met een communicatiecrisis. De woorden van het aloude geloof komen niet over. Mensen herkennen zich niet meer in wat verteld wordt vanuit de Bijbel of vanaf de kansel. Vaak blijkt de boodschap van God over de hoofden heen te gaan. De woorden blijven in de lucht hangen. Ze raken niet meer.

In veel gezinnen is het niet anders. Als ouders wil je je kinderen iets meegeven. Het geloof, dat je zelf van huis uit hebt meegekregen, wil je overdragen aan je kinderen of je kleinkinderen. Dat heb je beloofd, toen jij je kind liet dopen. Maar hoe doe je dat? Hoe komt er die herkenning? Hoe slaat de vonk over? Hoe ontbrandt de liefde tot God? Als je zelf gegrepen bent door het evangelie, zou je dat zo graag overdragen op hen, die je lief zijn. Maar het lukt je zo moeilijk. Er is geen herkenning, er slaat geen vonk over. De liefde ontbrandt niet.

Het Pinksterevangelie vertelt ons, dat die vonk van boven moet komen. Liefde ontbrandt, de vonk slaat over, als God Zelf het woord neemt. Maar – bijzonder! – dat gebeurt door woorden van mensen heen. De Geest spreekt door mensenmonden. De Geest schakelt ons in. Je kunt er zelf dus een heleboel aan doen. Je kunt het evangelie doorgeven op je eigen manier in je eigen taal. Je mond mag spreken, waar je hart vol van is. Je kunt, als je een talenknobbel hebt, het evangelie ook vertalen in allerlei andere talen. Het evangelie is zo sinds Pinksteren verspreid over de gehele wereld. Nog steeds zijn er mensen, die de meest afgelegen streken ingaan om een taal te leren en de bijbel te vertalen in vreemde talen. Straks zullen we – als voorbeeld - iets horen en zien over China. In onze Nederlandse taal zijn er ook veel prachtige Bijbelvertalingen.

Predikanten doen hun uiterste best om kerkgangers aan te spreken. Elke week ploeteren ze uren om het evangelie zo aansprekend mogelijk te brengen. Neem dat maar van mij aan. Het is moeizaam, tijdrovend maar prachtig werk. Wij kunnen Gods Woord dichtbij de mensen brengen – zo dichtbij mogelijk…

Maar wat jij en ik niet kunnen is: het woord van God ZO dichtbij brengen, dat de vonk overslaat. Wij kunnen er niet voor zorgen dat de liefde van God ook echt ontbrandt. Wij kunnen niet, wat Jeremia profeteert, ‘de wet in het binnenste van mensen leggen’. Wij kunnen de woorden van God niet ‘in de harten van mensen schrijven’. Wij kunnen er niet voor zorgen, dat iedereen, groot of klein, ‘de HEER leert kennen’. 

Wat zou het mooi zijn… Dat ik jou hier voor mij in de kerk echt aanspreek. Dat jij jouw vriend of vriendin, die je zo graag het geloof wil geven, in het hart raakt. Dat jij je kind of je kleinkind echt iets kan vertellen dat ze nooit meer vergeten. In onze gebrekkige woorden verstaan ze de stem van de HEER. In het diepste van hun ziel worden ze warm van Gods grote liefde. De vonk slaat over. Diep van binnen weten ze: Gods grote daden zijn ook voor mij geschied. Jezus is ook voor mij gestorven. Jezus is ook voor mij opgestaan. God is ook mijn hemelse Vader, die MIJ roept, die MIJ thuis verwacht.

Dat laatste stukje (de vonk, die overslaat; de liefde, die ontbrandt) is het wonder van het Pinksterfeest. Het is vuur van Boven, dat zich verdeelt op ieder persoonlijk. Een vlammetje, speciaal voor jou en speciaal voor mij. Het komt van de Heilige Geest.

Daarom strekken wij ons op deze Pinksterdag uit naar de hemel. We verwachten Zijn vuur. We verlangen Zijn windvlaag. Voor onszelf, voor onze kinderen en kleinkinderen. Voor de kerk, voor de wereld. Wij vragen: ‘HEER, herhaal het Pinksterwonder. Laat die vonk neerdalen. Ook op hem, op haar, op jou en mij. Laat uw liefde in ons ontbranden. Vervul ons met de warmte van Uw Geest. Laat ons troost vinden als een kind bij haar moeder. Laat ons gekoesterd worden aan Gods Vaderhart. 

Amen