Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 

Ik ga op reis... 
preek voor zondag 18 april 2021
Het Centrum, NIJVERDAL
Bediening van de Heilige Doop aan Hidde Gert-Jan Jonkman

 

De kerkdienst is ook via Kerkomroep en YouTube te beluisteren. 

“En zie, Ik ben met u” (Genesis 28:15a / Matteüs 28:20)

  

‘Ik ga op reis en ik neem mee’…. Je kent vast dat spelletje wel. Een geheugenspelletje. Leuk om te doen als je een lange autotocht voor de boeg hebt. Wij deden het vroeger als we met de kinderen op vakantie gingen. ‘Ik ga op reis en ik neem mee…’. Een tandenborstel, een zwempak, een zak drop…’. Telkens iets erbij verzinnen. Dat valt niet mee. Het valt niet mee om alles te onthouden. Het valt ook niet mee om telkens weer iets nieuws te verzinnen. Want: wat neem je mee op reis? Wat gaat er mee in de koffer? Wat heb je nu écht nodig? Niet veel is echt belangrijk om mee te nemen. Met je geld en de noodzakelijke papieren, kom je al een heel eind.

 

 Maar wat te zeggen van de reis door het leven? Die reis die bij de wieg begint en bij het graf eindigt? Die reis over de levenszee, door de dalen en over de bergen van de levensweg? Wat neem je dan mee?

 Jakob gaat op reis. Hem staat een lange reis te wachten. Hij vertrekt uit Berseba en hij moet naar Charan. Berseba is een stadje in het zuiden van Israël. De stad Charan ligt ver naar het noorden, tegenwoordig op de grens van Syrië en Turkije. Globaal uitgerekend moet Jakob een afstand van pakweg 800 kilometer overbruggen. Door woestijnachtig, onherbergzaam gebied. Te voet of wellicht, dat staat er in de Bijbel niet bij, heeft hij van thuis een kameel meegekregen. In de schriftlezing van Genesis 28 heeft hij van die lange reis zo’n 90 kilometer afgelegd. Hij bevindt zich in het plaatsje Betel. Nou ja, ‘plaatsje’: er is voor hem geen dak boven het hoofd en geen bed om in te slapen. Hij legt zijn hoofd op een steen. Hij valt onder de blote hemel in slaap en droomt. Ik ga op reis en ik neem mee…

 Het is niet veel moois wat Jakob meeneemt. Jakob neemt, zoals ieder mens, zijn verleden met zich mee. En dat weegt zwaar. Heel zwaar. Het maakt zijn reis tot een moeizame tocht. Jakobs verleden: dat zijn zijn vader en moeder en zijn tweelingbroer Ezau. Dat is het ‘warme’ nest van liefdevolle ouders, die hij achter moest laten. Het gespreide bedje van thuis. Maar het is ook de kille omgang met een broer, die zijn tegenpool is. Een broer, die nu zijn grootste vijand is geworden. Jakob heeft zijn broer en zijn oude vader bedrogen. De dramatische gebeurtenissen liggen nog vers in zijn geheugen. Die zet Jakob niet zo maar van zich af. Dat neemt hij mee op reis. In de denkbeeldige rugzak die hij mee draagt, zit een zware schuld, zit zijn zonde. Zoals dat bij ons allen het geval is. Als wij op reis gaan. Van dag tot dag het leven door. Het verleden kunnen we niet zo maar achterlaten. Dat vormt en bepaalt ons. Dat drukt op ons, dat achtervolgt ons.

 Gelukkig ben je, als je ooit begonnen bent, als een geliefde baby, zoals Hidde. Met een liefhebbende vader en moeder, die voor je klaar staan, die alles voor je over hebben. Gelukkig ben je, als je als bagage voor onderweg een goede opvoeding en later een goede opleiding meekrijgt. Gelukkig ben je als jouw wieg mag staan aan deze kant van de wereld, in ons vrije, welvarende Nederland. Dan kun je goed toegerust op reis gaan. Maar je hebt ook een rugzakje, zoals dat van Jakob. Je maakt als mens fouten. Je zegt dingen die je niet moet zeggen. Je doet dingen die je niet mag doen. Je vergeet dingen te doen, die je juist zou moeten doen. En gaandeweg gaat dat steeds zwaarder wegen.

 Jakob weet ervan mee te praten. Hij voelt het wegen op zijn rug, als hij moe en alleen in Betel aankomt. Zijn hoofd legt hij te ruste op een harde steen. Hij valt in slaap en droomt. Jakob krijgt een droom mee voor onderweg. Maar opvallend genoeg: geen angstdroom. In de nacht van Betel wordt hij niet overvallen door een nachtmerrie. Hij ziet: een trap, een brede ladder. Een trap van beneden naar boven. Van de harde aarde beneden tot in de hoge hemel daarboven. En – wonderlijk genoeg - hij ziet geen boze geesten, maar engelen in de nacht. Engelen die naar beneden afdalen en naar boven opklimmen. Die droom wordt Jakob gegeven. Dat beeld krijgt Jakob mee voor onderweg.

 Het zal de meesten van ons niet gegeven zijn, zo’n mooie duidelijk droom. Maar de mooie duidelijke boodschap van die droom krijgen we wel allemaal mee. Wij zien in Jakobs droom, dat de wereld, dat onze werkelijkheid niet gesloten maar open is. Dat er ergens, noem het maar ‘boven’, een opening is. Een deur naar een hemels vaderhuis. Een poort naar Gods woning. Dat we dus hier op aarde niet aan onszelf overgeleverd zijn. Er is iets, er is Iemand, die onze menselijke beperkingen en gebreken te boven gaat. We hoeven niet gevangen te blijven in onze schuld die telkens groter wordt. Nee, er is een poort die open staat, waardoor licht komt stromen. Er is een God die ons ziet en die ons hoort en voor ons zorgt. Want kijk, die ladder, die trap. Engelen die van boven naar beneden komen. Gods dienaren. Engelen zijn trouwens geen engeltjes, geen cupidootjes, die alleen maar leuke lieve dingen doen. Engelen zijn dienende, gehoorzame geesten. Zij doen wat de HERE God van hen vraagt. Ze gaan naar de aarde als Gods verkenners. Ze gaan terug en rapporteren aan de hemelse Rechter wat er op aarde gebeurt. Ze hebben dus vast en zeker ook verslag uitgebracht van Jakobs wangedrag. Zijn slinkse streken tegenover zijn vader en zijn broer. Maar daarbij zijn engelen ook de instrumenten van Gods liefdevolle zorg. Ze zijn Gods beschermende armen om ons heen. Ze belichamen Gods nabijheid. Ze maken Gods woorden waar. Dat ziet Jakob in zijn droom. Dat hoort hij. Uit de mond van de HEER Zelf. De HERE God zegt tegen hem: ‘Ik ben met u’. Of helemaal volledig: ‘ZIE, Ik ben met u’. Het woordje ZIE wordt in de Bijbel gebruikt om verrassing aan te duiden. Het onverwachte, ongedachte, het wonder van Gods liefde. Gods genade. ‘Kijk nu toch eens! Wie had dat verwacht! Jakob in de nacht. Met zijn hoofd op een harde steen. Onder een donkere lucht. Met zijn bagage uit het verleden: zijn schuld. En dan toch! Zie! De hemel gaat open, engelen dalen neer en God spreekt. De HERE spreekt. Hij wiens Naam is: ‘Ik ben die Ik ben’. ‘Ik ben met u en Ik zal er zijn’. ‘Ik ga met je mee’.

Met die belofte kan Jakob verder. Zijn verleden neemt hij mee. Het komt pas jaren later tot verzoening met zijn vader en zijn broer. Maar Jakob gaat niet alleen door het leven. De HEER is bij hem. De HEER omringt hem met Zijn engelen. Zo is de last van het leven niet te zwaar. God is hem een Middelaar, die de schuld draagt. God is de Vader van Jezus Christus, die de schuld gedragen heeft. Jakob gaat met Gods genade: ‘Zie, Ik ben met u, alle dagen’.

 De leerlingen van Jezus horen precies dezelfde woorden. Ook zij zijn op reis. Ze zijn na Pasen van Jeruzalem naar Galilea gereisd. Ze ontmoeten daar de Opgestane HERE. Hij stuurt hen op weg, de wijde wereld in: ‘Ga op weg, maak alle volken tot mijn leerlingen’. Ze gaan op reis en wat nemen ze mee? Ze krijgen de belofte mee voor onderweg: ‘Zie, Ik ben met u’. Wat er ook gaat gebeuren op de onbekende reis. Welk geluk of ongeluk je ook zult tegenkomen. Hoeveel goede of kwade dagen je ook zult hebben. Van één ding mag je altijd zeker zijn: je bent nooit alleen. Als je op Jezus vertrouwt en in Hem gelooft, zal Hij er altijd voor je zijn.

 

Vandaag wordt Hidde gedoopt. Aan het begin van zijn levensreis, geven wij hem Gods teken mee: de doop. De druppels water op zijn hoofd mogen hem telkens weer herinneren aan Gods belofte: Die belofte mogen wij allen aannemen en meenemen. In geloof en vertrouwen. ‘Zie, Ik ben met u’. Knoop dat maar in je oren. Stop dat maar in je rugzak. Neem dat mee, als je op reis gaat. Dan word je reis een goede reis met een behouden aankomst.

 

 Want als God vóór ons is,
wie is er ons dan tegen?
Dan werken druk en droefenis
mij nochtans tot een zegen.
Dan waakt alom een engelenwacht
en zie ik sterren in de nacht
en bloemen op mijn wegen’.