Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Hoopvol teken
Verkondiging op zondag 7 februari 2021

De Regenboog te Nijverdal

Uitgezonden via Kerkomroep en YouTube 

“Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven” (Matteüs 12:40)

 

 

“There is always light. If only we’re brave enough to see it.
There is always light. If only we’re brave enough to be it’.

 

 Met deze woorden beëindigde Amanda Gorman haar toespraak bij de inauguratie van president Joe Biden. De zwarte jonge dichteres sprak de woorden overtuigend uit. Krachtig. Als een overwinningskreet. ‘Er is altijd licht. Als we maar dapper genoeg zijn om het te zien. Er is altijd licht. Als je maar dapper genoeg bent om het te zijn’.
Licht – dat staat voor hoop. Een witte streep zon door donkere wolken. Een gouden lijn aan de horizon boven een woeste zee. Een kaarsje dat brandt bij een gesloten graf.
Licht – het is een veel genoemd verlangen in de Coronacrisis. We verlangen naar licht aan het eind van de tunnel. Hoe vaak wordt het niet gezegd. We peppen elkaar ermee op. Maar soms denk je, zoals iemand zei, dat er weer een tunnel begint aan het einde van ons licht. Licht – je moet het zien, je moet het leren zien, je moet het DURVEN zien.

‘Wij zien het niet’. Zo zou je de vraag, waarmee Farizeeërs en Schriftgeleerden bij Jezus komen kunnen weergeven. ‘Wij zien het licht niet, dus laat het ons zien’. “Meester, wij zouden graag een teken van u zien”, zeggen ze letterlijk. Een best wel beleefd klinkend verzoek. Maar er zit een addertje onder het gras. Jezus heeft namelijk al heel wat laten zien in de afgelopen tijd. Wonderen, zoals wij dat noemen. Machtige daden als genezingen van bezetenen, melaatsen, verlamden. Nog maar kort geleden heeft Jezus een blinde, die ook niet kon spreken, verlost van zijn kwalen. Genoeg te zien, zou je zeggen. Maar voor de Farizeeërs is het niet genoeg. Het is voor hen maar de vraag door wiens kracht Jezus zieken geneest. Het kunnen even zo goed duivelse krachten zijn, die hij gebruikt. Ze willen meer zien. Ze willen iets anders zien. Ze willen dat Jezus kleur bekent. Hij moet zich overduidelijk presenteren als kind van het licht. Hij moet zich legitimeren met witte kracht. Ze willen licht van duisternis scheiden. Ze vragen dus om een teken van Boven, uit de hemel, van God Zelf. De Almachtige moet ondubbelzinnig laten zien, waar Jezus voor staat. ‘Wij zien het niet, Meester, laat het ons zien’.

‘Wij zien het niet’. Dat is ook een vraag voor onze tijd. In onze tegenwoordige wereld komt een stortvloed aan informatie op ons af. Een oceaan aan berichten golft over ons heen. Wij beleven in onze tijd wat dat betreft iets totaal nieuws. Wat aan de andere kant van de wereld gebeurt, bereikt ons met de snelheid van het licht. We hoeven onze computers, laptops of smartphones maar aan te zetten. We kunnen zo alle informatie die we nodig hebben binnen halen. Het is echt nog nooit zo overweldigend geweest als nu. En het gevaar is: Wij zien door de bomen het bos niet meer. Wat is echt, wat is onecht? Wat is puur, wat is gemanipuleerd? Wat is een betrouwbare weergave van de werkelijkheid en wat is gefotoshopt? Hoe onderscheiden wij echt nieuws van nepnieuws? Hoe weet je of je door het linkje aan te klikken niet opgelicht wordt? Hoe kun je wetenschappelijk verantwoorde ideeën van complottheorieën onderscheiden? Hoe houden we de echte wereld en de virtuele wereld uit elkaar? Wat is eerlijk en wat is oplichting? Wie is betrouwbaar en wie luist ons erin? Dus wat is echt licht en wat is pure duisternis? ‘Wij zien het niet, Meester – laat het ons zien’.
Voor de Farizeeën een kritische vraag. Voor ons ook een vraag, een gebed van levensbelang. ‘Wijs ons de weg. HEER!’ Waar moeten wij de échte waarheid zoeken? Waar kunnen we echt van op aan? Waar kunnen we echt op vertrouwen?


Jezus geeft een teken. Hij laat iets zien. Iets als Jona. Hij grijpt terug op het oude verhaal van Jona. Jona – het Bijbelboekje dat ons waarschijnlijk bekend en vertrouwd is. Eén van die roemruchte kinderbijbelverhalen, waar je vroeger met spreekwoordelijk rode oortjes naar luisterde. Jona, de profeet. De eigenzinnige profeet. Hij die niet doet wat God van hem vraagt. Niet linksaf, maar rechtsaf gaat. Niet naar Ninevé, maar naar Tarsus. Hij wil onder zijn opdracht uit. Hij wil Gods roeping niet horen. Dus belandt hij op de boot. Van de boot in de zee. Van de zee in de buik van de vis. Drie dagen en drie nachten lang. De Bijbel vertelt er niet bij of en hoe dat kan. Welke vis of welk ander zeedier zo groot is, dat Jona erin kan overleven. Of het niet veel te benauwd was in de buik van de vis. Het is de bedoeling dat wij naast Jona in die vis gaan zitten. Beeld het je eens in: afgesneden van de mensenwereld. Ten dode opgeschreven. Omringd door water. Dat kan een mens niet overleven.

Hopelijk komt het jou niet al te bekend voor. Een mens kan zich voelen – als Jona. Door eigen schuld in de knel geraakt. Of door omstandigheden in de woeste golven terecht gekomen. Even spartelen en daar komt de vis. Opgeslokt. Je laatste uurtje heeft geslagen. Hoe kom ik erdoor heen? Deze ziekte. Dit schuldgevoel. Deze depressie. Of ik voel me overspoeld door al die berichten, al dat zogenaamde nieuws. Die stortvloed aan informatie. Orkaan van meningen, ideeën. Is het nepnieuws? Is het echt waar? Wie moet ik nog geloven? Wie zal het zeggen?  Je kunt er niet meer tegen. Je kunt geen kant meer op. Je zit als Jona – opgesloten in de vis.
 
Maar in de vis keert Jona’s lot. Hij bekeert zich. Hij wendt zich tot de HEER. Hij bidt en roept in zijn nood tot de HEER. Daarbij schreeuwt hij niet alleen om hulp. Hij telt in de nood ook zijn zegeningen. Hij dankt God voor de redding die komen gaat. En hij wordt gered. Na drie dagen en drie nachten komt er een einde aan zijn gevangenschap. Hij ontsnapt uit zijn cel van vissenvlees en -bloed. Hij zet zijn voeten weer op het strand van de levenden. Na drie dagen en drie nachten. Drie is ook in de Bijbel getal van scheepsrecht. Na drie dagen en nachten gebeurt er wat.
 
Drie – dat zal ook in het leven van Jezus een belangrijk getal zijn. Het teken van Jona wordt het teken van de Mensenzoon. Zoals de zeelieden op het schip Jona oppakken, wordt Jezus in de nacht van Witte Donderdag opgepakt. Zoals Jona in de zee geworpen wordt, belandt Jezus in de donkere kerker van de Hogepriester in Jeruzalem. Zoals Jona in de muil van de vis terecht komt, belandt Jezus in de dood aan het kruis. Van witte donderdag via Goede Vrijdag tot en met stille zaterdag, de Paasnacht – de bittere dood. Het hopeloos einde. 3 dagen, 3 nachten. Maar ook dan gebeurt er wat: op de morgen van de derde dag. Het heerlijk morgenlicht breekt aan - de Zoon van God is opgestaan.

Zo is met Jezus Christus gebeurd wat er met Jona gebeurde. Het teken van Jona is te zien op de morgen van Pasen. De dood kan Hem niet houden. De muil van het zeemonster spert open. Jezus leeft… en wij met Hem. Ja, ook wij. Voor wie met Hem verbonden zijn, geldt ook dat teken van Jona. Dat er geen nacht zo donker is of er volgt nieuw morgenlicht. Dat geen diepte te diep is voor wie Jezus volgt. Dat zelfs de dood geen angst aanjaagt voor wie op Hem vertrouwt.
 

Dat mag je zien. Dat mag je blijven zien. Als jij in de vis zit, onder water, in jouw diepe put. Dan kun je als Jona roepen om hulp. Dan mag je hopen op redding. Dan zie je het licht. Licht van de hoop. Als je het tenminste WILT zien. Als je het DURFT zien. Verlost van je eigen duisternis mag je het licht volgen. Het ware licht van Jezus Christus kan niet gedoofd worden. Je mag wandelen in het licht met Jezus, de weg, de waarheid en het leven. If you are brave enough to see it – mag je zelf het licht zien. Als je dapper genoeg bent om Jezus te volgen, zul je zelf een licht zijn.