Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Hoe lang nog?

Kerkdienst 10 juli 2022 De Regenboog

“O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?” (Openbaring 6:10)

‘Hoelang nog?’ Als ik dat hoor, gaan mijn gedachten terug naar vakantiereizen van jaren geleden. Met de wagen volgeladen (vader, moeder en drie kinderen) gingen we naar Oostenrijk, Zwitserland of Zuid-Frankrijk. Vaak gingen we ’s morgens vroeg voor dag en dauw op pad. In de hoop dat de wakker gemaakte kindertjes de eerste honderden kilometers slapend zouden doorbrengen. Maar we rijden goed en wel een eindje en dan klinkt vanaf de achterbank de vraag: ‘Is het nog ver? Hoe ver is het nog? Zijn we er bijna?’. Vanaf de voorbank klinkt een diepe zucht en daarna: “Hoor eens, lieve kinderen, het is een hele lange reis, die we gaan maken. Het duurt verschrikkelijk lang voordat wij er zijn. Maar als jullie nu eens rustig blijven zitten. Geen ruzie zoeken. Een boekje lezen. Een puzzeltje maken. Met je mobieltje een spelletje doen. Of – het allerbeste! – je ogen sluiten en  slapen…. DAN duurt het niet lang. Dan vliegt de tijd voorbij. Dan zijn we heel snel op onze bestemming”.

‘Hoe lang nog? Hoe ver nog? Wanneer eindelijk?’. Het is een grote sprong, maar dezelfde vraag klinkt in de Bijbelgedeeltes van vanavond. De vraag klinkt vier keer achter elkaar in Psalm 13. Als vraag in een gebed van David: ‘Hoe lang nog, HEER, zult u mij vergeten? Hoe lang nog verbergt u voor mij uw gelaat? Hoe lang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen en mijn hart door verdriet overstelpt, dag aan dag? Hoe lang nog houdt mijn vijand de overhand?’.

In Openbaring 6 klinkt dezelfde vraag. ‘Wanneer zult U de mensen die op aarde leven eindelijk straffen? Hoe lang duurt het nog voordat U ons bloed op hen zult wreken?’.

Die vraag ‘hoe lang, hoe ver, wanneer’ vraagt natuurlijk niet om een exact antwoord.  Een blik op de cijfers van de klok of het navigatiesysteem zegt niet zo veel. ‘Zoveel jaren, zoveel dagen, zoveel uren, zoveel minuten nog – dan is het zo ver’. Het is geen nieuwsgierige vraag. Geen vraag van mensen die graag op Gods klok willen kijken. Het boek Openbaring en de hele Bijbel zijn er ook niet voor bedoeld om ons dat aan de neus te hangen. Jezus sprak daar heel duidelijk over voor zijn hemelvaart: ‘Het is niet jullie zaak om te weten wat de Vader in zijn macht heeft vastgesteld over de tijd en het ogenblik’. Rekensommetjes en tijdsschema’s worden in het geloof niet gemaakt.

De vraag ‘hoe lang’ is een vraag van verlangen. Een vraag, die opwelt uit een onrustige, vleugellam geslagen ziel. Een vraag van iemand, die het niet kan verkroppen, dat het er in de wereld én in het eigen leven zo onrechtvaardig aan toe gaat. Het is de vraag van iemand, die gelooft in het recht van God. Iemand die op God vertrouwt. Zoals in Psalm 13 even na de vraag ‘Hoe lang’ beleden wordt ‘Ik vertrouw op uw liefde. Mijn hart zal juichen omdat U redding brengt’. En in Openbaring 6 wordt God aangesproken als ‘Heilige en betrouwbare HEER’. Er wordt dus gezegd: ‘Ja, HEER, U bent betrouwbaar. Groot is uw trouw. U hebt deze wereld eenmaal goed geschapen. U hebt, toen het mis is gegaan, Uw eigen Zoon gezonden tot op het kruis. U hebt Hem doen opstaan uit de dood. U zult dus eenmaal alle dingen nieuw maken. Dat hebt U beloofd. U laat niet los wat Uw hand begon… maar komt er nog wat van? Het wachten duurt zo lang! Dus vraag ik U eerbiedig: Hoe lang nog?’.

In Openbaring 6 komt deze vraag uit de mond van martelaren. Johannes noemt hen ‘de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis’. Het zijn dus mensen, die hun leven hebben gegeven voor het evangelie. Mensen voor wie organisaties als Open Doors onze aandacht vragen. Elke maand krijg ik een berichtje toegestuurd over mensen die vervolgd worden vanwege hun geloof. Deze maand wordt onze speciale aandacht gevraagd voor christenen in Nigeria. Ik lees bijvoorbeeld over Deborah, een HBO-studente in Sokoto. Ze is op 12 mei gestenigd en verbrand door een woedende menigte jonge moslims. Ze werd ervan beschuldigd godslasterlijke taal tegen de profeet te hebben gebruikt in een groepsApp van school. Ze vond dat de App alleen voor studiedoeleinden moest worden gebruikt en niet voor ‘religieuze berichten’. Op school werd ze opgewacht door een woedende menigte die het recht in eigen hand nam. Ze vluchtte naar de beveiligingspost maar mannen trokken haar eruit en sloegen en stenigden haar. Haar bewusteloze lichaam werd in brand gestoken. Nadat 3 verdachten waren opgepakt kwam een woedende menigte op de been. Twee kerken werden beschadigd en vele christenen zochten een veilige schuilplaats uit angst voor de gespannen situatie.

Zij zullen misschien die woorden van Psalm 13 en Openbaring 6 in de mond nemen in hun gebed: ‘Hoe lang, HEER? Wanneer eindelijk, HEER?’. In de loop van de 2000-jarige geschiedenis na Christus hebben velen zo hun leven gegeven voor hun HEER. Juist in onze tijd neemt die christenvervolging weer schrikbarend toe. Volgens de gegevens van Amnesty International, Human Rights Watch en Open Doors is het in de wereldgeschiedenis nog nooit zo erg geweest. Je mag dus des te dankbaar zijn, dat er in ons land godsdienstvrijheid is. Al wordt het je ook in ons land niet altijd in dank afgenomen als je vanuit je geloof spreekt en handelt. Is dat een teken der tijden? Komt er ook voor ons een ‘grote verdrukking’ aan? En – belangrijker – hoe lang zal het nog duren? Wanneer komt er eindelijk een einde aan?

In zijn visioen op Patmos ziet Johannes, dat het vijfde van de zeven zegels wordt geopend. De eerste vier zegels brachten vier ruiters in beweging. De eerste ruiter, op het witte paard, brengt het evangelie van Gods liefde in de wereld. Zegevierend trekt hij de wereld rond. Gods overwinning staat vast. Daar hoef je niet aan te twijfelen, maar wanneer? Hoe lang nog?

De volgende drie ruiters brengen oorlog, honger en gruwelijke ziekten met zich mee. Alle verschrikkingen van wereldoorlogen, pandemieën en hongersnoden gaan de wereld over. Sinds Christus’ hemelvaart is het al bijna 2000 jaar nu hier dan daar de verschrikkelijke orde van de dag. En telkens vragen wij: hoe lang moet dat nog duren? Wanneer komt er eindelijk een einde aan?

Als het vijfde zegel open gaat, ziet Johannes in zijn visioen een altaar. Hij noemt het trouwens niet ‘een’ maar ‘HET’ altaar. Hij bedoelt: het hemelse altaar. Dat bij God staat. Voor Gods troon in de hemel. In de hemelse tempel, het Vaderhuis. Volgens Joodse traditie is de tempel in Jeruzalem een model van de hemelse tempel. Dus zijn de aardse altaren, die in de tempel van Jeruzalem stonden, kopietjes van het hemels origineel. Het grootste altaar in de tempel was het brandofferaltaar. Daar werden offerdieren op geslacht. Runderen, bokken en lammeren. Het vlees werd verbrand. Het bloed werd opgevangen en uitgegoten aan de voet, aan de basis van het altaar. Het altaar stond dus letterlijk in een zee van bloed, een bloedbad.

Dat ziet Johannes in zijn visioen ook bij HET hemelse altaar. In die hemelse tempel, voor Gods troon staat het altaar ook in het bloed. Het bloed van de martelaren. Het bloed der ‘zielen’, want – ook weer volgens Joodse traditie – de ziel is in het bloed. ‘Ik zag aan de voet van het altaar de zielen van hen die geslacht waren’. Als een lam, als HET Lam, hebben mensen hun ziel, hun leven, hun bloed gegeven. Maar hun bloed is niet verloren. ‘Hun bloed, hun tranen en hun lijden is kostbaar in Gods oog’, hebben we gezongen. Het geofferde bloed is opgevangen door de grote Hogepriester, Jezus Christus. Aan de voet van Gods altaar, voor Gods aangezicht is dat bloed uitgegoten. Hij die Zijn eigen bloed voor ons heeft gegeven, zorgt ook dat er van ons bloed geen druppeltje verloren gaat.

‘Van óns’, zeg ik? Ja, ik mag de kring breed trekken. Ook u en mijn leven, onze zielen, ons bloed worden eenmaal opgevangen. Al zijn het dan misschien niet letterlijk bloeddruppels, die wij voor de HEER offeren. Misschien wat zweetdruppeltjes. Onze inzet voor de verspreiding van het evangelie. Onze inzet voor kerk en maatschappij. Ónze kleine en grote opofferingen qua tijd, energie, geld, aandacht. Ook al ónze inspanningen voor God en onze medemens zijn niet voor niets. Ze tellen mee. Al wat je doet uit liefde tot Jezus houdt zijn waarde en zal blijven bestaan.

Het is Boven bekend, als je in je leven ooit het besluit hebt genomen om de HEER te dienen. Als je je leven aan Hem hebt overgegeven, opgeofferd. Als je in het spoor van de Gekruisigde jouw kruis hebt opgenomen. Dat is NIET voor NIETS, horen we nu. Je inzet voor vrede, gerechtigheid. Je inspanningen voor een betere wereld, voor de verspreiding van het evangelie.

En zo komen we ‘boven’ na onze aardse reis. Eenmaal als de stonde slaat en ons lichaam sterven gaat. Na een vlot verlopen levensreis. Of na een barre zware bewogen tocht vol gevaren, pijn en verdriet. We mogen opgaan naar Gods altaren. Ons leven als een offer aan Zijn voeten neerleggen. Met die ongeduldige vraag op onze lippen: ‘Hoe lang nog?’. Want al vragen we dat dan niet voor ons zelf, omdat we het toevallig goed getroffen hebben. Omdat we niet letterlijk ons leven hoefden te geven voor Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid. We vragen het wel voor onze medebroeders en medezusters. Voor allen die geleden hebben en die nog steeds lijden moeten. Met hen zijn wij verbonden, als één familie, als broeders en zusters. Dus bidden we eenparig: ‘Hoe lang nog, HEER? Wanneer wordt er nu eindelijk eens recht gedaan? Wanneer achterhaalt de waarheid de leugen? Wanneer wordt de macht van die verschrikkelijke dictator nu eindelijk eens gebroken? Wanneer komt er een definitief einde aan het bewind van die op Golgotha verslagen duivel? Wanneer krijgt het slachtoffer genoegdoening en de beul zijn verdiende loon?

Op die vraag, krijgen we dus geen antwoord. Ik bedoel: Geen exact, chronologisch antwoord. De zielen onder het altaar, die Johannes ziet, krijgen in de eerste plaats geen woord, maar een ding. Ze krijgen een kleed, een wit kleed. Wit is de kleur van de hemel, de kleur van de overwinning, de kleur van het Lam. Wit wil zeggen: Al klaagt iedereen je aan, al maakt iedereen je zwart – God verklaart je rein. Het witte kleed van Gods genadige vrijspraak. Trek het maar aan. Het bedekt je rode bloed. Het verhult de schande, die jou is aangedaan. Het staat je goed. En als je dan toch antwoord wilt op de vraag ‘waarom’? Dan klinkt uit de mond van de hemelse Vader: De maat is nog niet vol. De oogst is nog niet compleet. Er moet nog heel wat gebeuren. Er zullen nog heel wat mensen hun leven geven. Als ze uiteindelijk allemaal hier bij Mij zijn, dan is de tijd gekomen’.

Waarom dat zo moet gaan? Dat begrijp je niet. Dat gaat je verstand te boven. Hoe God regie voert over de wereldgeschiedenis. Laat dat maar aan Hem over. Als jouw aardse tijd voorbij is en jouw aardse strijd gestreden, mag je van ophouden weten. Dan is voor jou de rust gekomen. Eenmaal is het voor jou en mij de juiste tijd. Strijd tot die tijd de goede strijd. Doe het in vertrouwen op de goede afloop, de veilige aankomst.  

Dat doet me dan weer denken aan die lange vakantiereis naar Zuid-Frankrijk. De kinderen achter in de auto doen wat papa en mama van hen vragen. Ze doen een spelletje. Zo nu en dan een hazenslaapje. We zingen liedjes met elkaar. Zo vliegt de tijd voorbij. De kinderen zijn vol vertrouwen. Vader en moeder zullen er wel voor zorgen dat ze veilig aankomen bij zon, zee en zaligheid.