Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

(Goede) voornemens

Kerkdienst 1 januari 2023 Het Centrum
Nieuwjaarsmorgen

Lezingen: Psalm 5 en Lucas 2:41-52

“Maar ik mag door uw grote liefde uw huis binnengaan, van ontzag vervuld mij buigen naar uw heilige tempel. Leid mij langs mijn belagers, HEER, door uw gerechtigheid, maak effen de weg, die u mij wijst” (Psalm 5: 8 en 9)

Bij het begin van het nieuwe jaar horen goede voornemens. Plannen en ideeën voor een beter, gezonder, duurzamer leven. Minder van dit of dat. Meer zus of zo. Sommige dingen gaan voortaan anders dan we gewend zijn. We kunnen daar schamper over doen: ach, er komt toch niets van terecht. We kunnen het ook van de positieve kant bekijken. Het is goed om jezelf eens kritisch onder ogen te zien. Vervolgens het roer van je leven een klein beetje of rigoureus omgooien. Hoewel elke nieuwe dag het begin is van de rest van je leven, is Nieuwjaarsdag daarvoor een goed moment.

De dichter van Psalm 5 begint zijn nieuwe dag met een voornemen. Dat voornemen is: ik zal naar Gods huis gaan. Dat lijkt een wel erg vroom en braaf voornemen. Misschien heb je zelf ook voornemens voor het nieuwe jaar. Tien tegen één dat daar niet bij hoort: “Ik zal naar Gods huis gaan”. “Ik zal voortaan met enige regelmaat naar de kerk gaan”. Dat hoef je je misschien helemaal niet voor te nemen. Dat doe je al, anders zat je hier niet. Dat zit al in je levenspatroon verweven.

Als voornemen klinkt het ook wel erg vroom en braaf. Het gevaar bestaat, dat je dit voornemen een GOED voornemen gaat vinden. Je zou jezelf beter kunnen gaan voelen. Beter dan de steeds groter wordende rest van mensen, die zich niet meer of steeds minder naar Gods huis begeven. Het ‘ik wel’ en ‘zij niet’ gevoel. Ik en zij als wit en zwart. Ik – goed; de rest – slecht.

Voor dat gevaarlijke, polariserende gevoel lijkt de dichter van Psalm 5 bezweken. Lees maar na. Het gaat telkens over ‘ik’ en ‘zij’. Afwisselend. Een paar verzen ‘ik’; een paar verzen ‘zij’. ‘Ik’ aan de ene kant en ‘gewetenloze misdadigers’, onrechtvaardige leugenaars’ en ‘afschuwelijke bedriegers en bloedvergieters’ aan de andere kant. Zij worden in de Psalm pikzwart afgeschilderd. “Zij” deugen van geen kanten. “Onwaarheid komt uit hun mond, onheil huist in hun hart, een open graf is hun keel, gespleten is hun tong”

Maar ik… MAAR IK. Zie mij eens even: "IK ga naar de kerk. IK mag uw huis binnengaan". Dat stinkt naar de eigen roem van de Farizeeër naast de tollenaar. "O God, ik dank u, dat ik hier niet zó ben als die daar". MAAR IK... Als het zó moet, dan is “je naar Gods huis begeven” geen goed, maar een akelig slecht voornemen. Dan kun je je beter voornemen om thuis te blijven.

Maar je kunt, je moet het toch anders bekijken, deze Psalm. We hebben hier namelijk niet te doen met het gebed van iemand, bij wie alles voor de wind gaat. Het is een mens in nood, die hier bidt. Iemand, die op de hielen wordt gezeten. Zijn tegenstanders belagen hem van alle kanten. Hij wordt omringd door boeven en bandieten, die hem in het nauw drijven.

Dat kan gebeuren. Zulke mensen bestaan. Mensen, die letterlijk achtervolgd worden. Vervolgden om hun geloof. Vluchtelingen. Asielzoekers. Mensen in Oekraïne die hun leven niet meer veilig weten. Mensen, die letterlijk een veilig heenkomen moeten zoeken. Je mag van geluk spreken, als je niet zulke letterlijke vijanden, als je geen ‘belagers’ van vlees en bloed hebt. Als je leeft in een vrij land. Waar je kunt zeggen en geloven, wat je wilt.

Maar ook figuurlijk gesproken kan het vuur je aan de schenen gelegd worden. Ook geestelijk, in je eigen leven, kan het water je tot de lippen stijgen. Je krijgt te kampen met onzichtbare, angstaanjagende vijanden. Psychiatrische patiënten leven met angsten en depressies. Maar ook als je gezond bent, kun je je achtervolgd voelen als opgejaagd wild. Door de eisen die de omgeving aan je stelt bijvoorbeeld. De maatstaven waaraan je moet voldoen. Je krijgt het akelig gevoel altijd op je tenen te moeten lopen. Het gevoel dat je telkens weer tekort schiet.

Of denk aan die ‘vijanden’ die zo maar ieders leven onverwacht binnen kunnen vallen. Ernstige zorgen over je gezondheid. Gemis van een geliefde. Eenzaamheid. Ongerustheid over wat je kinderen of kleinkinderen overkomt. Bezorgdheid over je eigen kleine geloof. Twijfels en vragen die op je afkomen als duistere machten. Hoe houd ik het vol? Hoe houd ik me staande? Hoe houd ik mij vast? Het kan je allemaal als vijanden op de hielen zitten.

De dichter van Psalm 5 wordt op een nieuwe morgen wakker. Hij heeft geslapen. Hij heeft een goede nachtrust gehad. Zijn geloof, zijn vertrouwen op God heeft hem daarbij geholpen. Met de woorden van Psalm 4 is hij ingeslapen: ‘Ik kan gaan slapen zonder zorgen, want slapend kom ik bij U thuis’. ‘U, Heer, laat mij wonen in een veilig en vertrouwd huis’. Hij heeft voor even al zijn zorgen vergeten en schone dromen gehad. Maar als hij wakker wordt, komt de angst weer in alle hevigheid boven. Al die vijanden stormen weer op hem af. De angst slaat hem om het hart. Hoe zal het gaan deze nieuwe dag? Hoe kom ik er door? Hoe zal het gaan in het nieuwe jaar? Hoe kom ik daar weer door?

In zo’n situatie klinken de woorden van de tekst heel anders: “Maar ik mag door uw grote goedertierenheid uw huis binnengaan”. Dan klinkt het niet als een vroom en braaf voornemen. Dan klinkt het als een voorrecht, als een prachtige mogelijkheid. Een uitweg. Je realiseert je, bij alle bange uren die jou weer te wachten staan: Er is ook nog iets anders! Er is Iemand, die mij op de been  houdt. Er is Gods liefde, die meegaat over de grens van het jaar. Er is Gods goedheid, die mij staande houdt!

God is goed - want kijk maar: De deuren van Zijn huis staan open. Ik mag binnengaan. De HEER heet mij welkom in Zijn nabijheid. De deuren van de kerk staan open - elke zondag opnieuw. De Bijbel mag ik openslaan. Elke dag zelfs. Gods oren zijn geopend - elk moment van de dag. Bij Hem mag ik schuilen. Bij Hem vind ik vreugde. Bij Hem kan ik mijn hart uitstorten. Elk uur. Elke dag. Maar vooral ook: elke week. Op die speciale dag. Die dag door God geheiligd. Die rustdag. Dan mag in naar Gods huis gaan. In Gods huis mag ik mij thuis voelen als Jezus. Als 12-jarige jongen ging Jezus naar Gods huis. Hij was er niet weg te slaan. ‘In het huis van mijn Vader moet ik wezen. Met de dingen van mijn Vader moet ik bezig zijn’. Ik mag zingen. Ik mag luisteren naar de verkondiging van Gods Woord. Ik mag er vooral ook bidden. Een gebed in de morgen.

Als we iets begrijpen van de situatie waarin de dichter van Psalm 5 zich bevindt, snappen we ook wat hij bidt. “Heer, leid mij langs mijn belagers door uw gerechtigheid; maak effen de weg die u mij wijst”. Deze ‘ik’ vraagt dus niet om het effen maken van ‘mijn weg’. Ik bid niet of God MIJN straatje wil schoonvegen. Ik vraag niet of Hij MIJN paadje wil banen. Of God als grote puinruimer mijn weg vrij en veilig wil maken. Nee, ik bid om ZIJN weg. Om de weg die Hij mij wijst. DIE weg moet ik volgen elke nieuwe dag en elk nieuw jaar.

Zo komt Psalm 5 er opeens heel anders uit te zien. Het is niet de dichter, die als een heilig boontje vrome voornemens maakt. IK wit en zij zwart. Ik slachtoffer en zij daders. Ik ga naar de kerk en zij slapen uit. Het is precies andersom: IK kan de goede weg door het leven ZELF niet vinden. Voor ik het weet zit ik op het verkeerde spoor. Ik verdwaal hopeloos. Hoe anderen dat doen, is mij een raadsel. Maar ik moet voortdurend op zoek naar Gods weg. Daarom ben ik blij dat ik naar Gods huis kan gaan. Ik hoef niet alleen het nieuwe jaar tegemoet. Ik hoef niet alleen de weg door het leven te vinden. De HEER wijst mij de weg ten leven. Ik mag elke keer, elke zondag, elk nieuw jaar een nieuwe start maken. Ik mag weer terugkomen op Gods weg.

En ook – niet te vergeten – ik kom in de kerk om te blijven hopen en verwachten. In Gods huis wordt de moed er steeds weer ingepompt. Daardoor houd ik de moed erin. Ik geef me niet over aan mijn letterlijke en figuurlijke vijanden. Ik bid om de komst van het Gods koninkrijk. Ik zie uit naar de dag dat Gods vijanden vergaan. Ik hoor telkens weer dat eenmaal ook al mijn vijanden, mijn zorgen, mijn verdriet voltooid verleden tijd zullen zijn. Mijn tranen gedroogd, mijn zorgen voorbij. De HEER zorgt ervoor dat eens de morgen aanbreekt. De grote morgen van Gods nieuwe jaar. Op die grote morgen mag ik gaan. Op weg naar Gods eeuwige Vaderhuis.