Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

God is Koning

Oudejaarspreek 2021
gehouden in Vrije Evangelische Kerk te Nijverdal
www.kerkomroep.nl

 Lezingen: Psalm 93 en Marcus 4:35-41

“De HEER is Koning, met hoogheid is Hij bekleed” (Psalm 93:1)

Bij het horen van deze Psalm zou ik je mee moeten nemen. We zouden een plek moeten zoeken, waar deze Psalm het beste tot zijn recht komt. Zodat de woorden dichterbij komen. Het zijn namelijk woorden uit oude ver vervlogen tijden. Woorden die het gevaar lopen op een afstand te blijven. Woorden uit een andere tijd, een andere cultuur met een ander wereldbeeld.

We zouden er dus over kunnen denken om eerst eens even in Den Haag langs te gaan. Bij Paleis Huis ten Bosch, waar onze koning en koningin wonen. De Psalm gaat namelijk over een koning. ‘De HEER is koning’, luidt de openingszin. We zouden een kijkje kunnen nemen in het koninklijk paleis van onze eigen koning. We kunnen hem wellicht opzoeken in de kamer, waarin hij de afgelopen kerstboodschap uitsprak. Zo’n prachtige statige kamer. We zullen dan een indruk krijgen van het koninklijk leven. Daar zouden we de woorden van Psalm 93 nog eens laten klinken. ‘De HEER is koning, met hoogheid is hij bekleed’.

Ach, je voelt het al aan: een tripje Den Haag zal ons niet helpen. Sowieso is onze koning slechts bij zeer uitzonderlijke gelegenheden ‘bekleed met hoogheid’. Een groot ‘blauwbloed’ kenner ben ik niet, maar als ik het goed heb: onze koning droeg alleen de hermelijnen koningsmantel en de Koninklijke kroon tijdens zijn kroning in 2013. Daarna niet meer. Nooit meer. Wij willen dat ook niet. Een koning moet vooral ‘gewoon’ zijn. Gewone kleren dragen. Beetje netjes, maar geen pracht en praal. Hij moet ook zo gewoon mogelijk met mensen omgaan. Dan is hij op zijn best. Niet té uitbundig, maar zeker ook niet te stijf. Wij houden niet van koningen op verheven tronen. Paleizen hoeven voor ons niet meer té riant te zijn. We moeten het met zijn allen betalen, niet waar? Een koning is in onze tijd niet meer met macht en majesteit bekleed. Onze koning moet zich keurig aan de regels van de democratie houden. Anders heeft hij een probleem. En dus staan de troon en de toon van Psalm 93 ver van ons vandaan. Het helpt ons niet om de HEER te vergelijken met ónze koning. Dus zoeken wij een beter plekje om Psalm 93 te begrijpen.

Misschien beter dat ik je meeneem, niet ver van het koninklijk paleis, naar het Scheveningse strand. En dan hopen we op windkracht 10 of meer. Met onze kop beuken we tegen de wind in als we naar de vloedlijn lopen. Met onze ogen zien we golven met grote schuimkoppen op ons afrollen. Met onze oren horen we het donderend geraas, waarmee ze stuk breken. Dan beginnen we in elk geval iets te begrijpen van deze Psalm. We raken onder de indruk van dat, waar Psalm 93 van onder de indruk is. De Psalm laat het als het ware horen, hoe de golven aan komen rollen. Hoe ze kapot slaan en zich weer terugtrekken. “De stromen verheffen, de stromen verheffen hun stem, luid verheffen de stromen hun stem”, zingt de Psalm. We zien de golven naar het strand rollen. De ene golf volgt de andere op. Dat rolt maar door. Golven komen, golven gaan. Getijden wisselen elkaar af. De zee trekt zich terug. De zee komt weer opzetten. Eb en vloed. Golf na golf beukt op het zand. Zoals dag en nacht, maand na maand. Jaar na jaar. Het ene jaar na het andere. Ze rollen maar aan. Ze rollen naar je toe. Ze trekken zich weer terug. 2021 gaat, 2022 komt. Met de ijzeren wetmatigheid van de klok worden we op golven van de tijd meegedragen. Seconden worden minuten. Minuten uren dagen maanden jaren… Weer een jaar voorbij. Dat gaat maar door. Je verandert er niets aan. Je kunt de tijd niet stil zetten.

Ja, aan de kust komen we vast en zeker onder de indruk van dat waar Psalm 93 van onder de indruk is. De wetmatigheid in de natuur. De standvastigheid van de aarde. Het subtiele evenwicht van dag en nacht. Licht en duisternis. Eb en vloed. Opgaan, blinken en… verzinken.

Eerlijk gezegd worden we er niet vrolijk van als we blijven staren naar de golven en de zee. We kunnen er op deze manier straks geen gezellige oudejaarsavond van maken. Het jaar gaat als een nachtkaarsje uit. Grote kans, dat we er moedeloos van raken. Of zelfs machteloos en hulpeloos.

Hoe hulpeloos, hebben we in het afgelopen jaar wel gezien. Het natuurgeweld – overal op aarde. Orkanen. Vulkaanuitbarstingen. Vuurzeeën. Zelfs het zuiden van ons land kreeg te maken met desastreuze overstromingen. Waarschijnlijk het gevolg van  klimaatverandering en zeespiegelstijging. De zee kwam en nam. Want ‘zee’ is majestueus, maar levensgevaarlijk. In de Bijbel staat ‘zee’ symbool voor alles, wat ons bedreigt. Het is een ander woord voor alle angstaanjagende dingen, die ook in het afgelopen jaar op ons afstormden. Niet in het minst de Coronacrisis, die als een zondvloed, als een tsunami over ons heen rolt. ‘Zee’ is de doodsmacht. Als klein mens ben je er uiteindelijk machteloos tegen.

Uit het evangelie lazen we, dat de leerlingen van Jezus in de boot zitten op het meer van Galilea. De stormwind loeit om hen heen. Ze dobberen op de ondergang af. Dat meer van Galilea is helemaal niets vergeleken met een oceaan. Toch kan het ook daar flink spoken. Als tegen de avond de harde wind opsteekt, kun je beter zo snel mogelijk de veilige oever zien te bereiken. Anders ben je een speelbal van de golven en reddeloos verloren. Het kan niet anders dat de leerlingen van Jezus op dat moment aan Psalm 93 hebben gedacht. Aan “stromen, die hun stem verheffen”. Het geraas van wijde wateren en de machtige baren der zee.

Maar, luister, daar bovenuit, ja echt daar boven uit klinkt de stem van de HEER. Jezus, die roept: ‘Zwijg, wees stil!’.

Want, ja, Psalm 93 is geen weemoedig lied, dat alleen maar onze kleine kracht tegenover de grote machten om ons heen bezingt. Het is uiteindelijk een zeer hoopvol lied. Een lied, dat ons moed geeft. Moed om verder te gaan. Hoop om de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Omdat het verhaal van de zee en haar bruisende branding slechts het halve verhaal is. De dichter van Psalm 93 blijft niet staren naar de golven. Hij richt zijn blik omhoog. Hij kijkt naar boven. Boven de golven, boven de zee ziet hij de troon van zijn grote verheven Koning. De troon van God.

In zijn wereldbeeld was die troon misschien wel letterlijk BOVEN te vinden. Toch neemt hij ons niet mee tot boven de wolken. Nee, hij gaat met ons naar een ander plek op aarde.

Niet naar een koninklijk paleis. Niet naar een strand met woeste branding. Hij voert ons tot boven de zeespiegel, maar niet hemelhoog. Van de oever van de zee reist hij naar de Heilige stad, Jeruzalem. Hij gaat op naar de berg Sion en beklimt de trappen van de tempel. ‘Het huis waarvan heiligheid het sieraad is’, noemt hij het poëtisch. Het heiligdom met als kern: het Heilige der heiligen. In dat Heilige der heilige staat de Ark, die geldt als de troon van God. Daar woont de Koning. Boven de Ark van het verbond. In die Ark, je weet wel, liggen de stenen tafelen. Met de tien Woorden, die God via Mozes heeft gesproken. Gods betrouwbare uitspraken. De leefregels van de koning, waarop je je leven kunt bouwen. Niet met macht, niet door geweld, maar met weldadige wetten regeert deze Koning de wereld. Niet met ijzeren vuist, maar met de kracht van Zijn liefde voert de HEER zijn bewind. Daarbij maakt Hij graag gebruik van mensen, van Zijn dienaren. Vanuit het hemels paleis verspreidt zich Zijn heiligheid over de aarde. ZO is Hij onze Koning. Zo wil de dichter van Psalm 93 Gods onderdaan zijn.

En wij? In een koninklijk paleis worden we niet veel wijzer.
Aan het strand komen we onder de indruk van de machtige Schepping, maar voelen we ons ook hulpeloos en reddeloos verloren.
Naar Jeruzalem en zijn tempel hoeven we ook niet meer af te reizen. De tempel staat er niet meer. God werd koning in de kribbe en woonde in de stal. Uit de hoge hemel daalde Hij af tot in onze lage staat. Geen koning in een hermelijnen mantel. Een kind in doeken gewikkeld. Hij kwam als mens in ons midden. Hij woont nu met Zijn Geest onder ons. Ja, ook in ons midden. Daarvoor hoeven we niet op reis. We zitten hier goed. Hier in dit kerkgebouw. Of zelfs ook thuis verbonden met dit kerkgebouw. Hier staat zijn troon, want hier woont Zijn Woord. Hier spreekt de Koning ons toe. Zondag na zondag. Week na week. Jaar na jaar. We horen woorden, die we nergens anders horen. Boven de stormen van de wereld horen we de stem van Jezus. Telkens weer stilt Hij de stormen van ons leven. Hier troost Hij ons in ons verdriet. Hier geeft Hij ons hoop in bange dagen. Hier wijst Hij ons de weg met Zijn geboden.

De HEER is Koning. Als Hij onze koning is, mogen wij Zijn dienaren zijn. Aan ons de roeping om als kinderen van de Koning te leven. Als prinsen en prinsessen. Als onderdanen van Gods koninkrijk. Bekleed met de koninklijke waardigheid van Gods liefde. Anderen troosten, bijstaan, moed inspreken. Doen wat onze koning ons te doen geeft. Gedreven door Zijn gerechtigheid en Zijn barmhartigheid.

Met Vaders Zoon aan boord hebben we veilig strand voor ’t oog. Als wij met Hem op weg gaan, zal Hij over ons waken. Bulderende machten komen tot bedaren door Zijn stem. Jaar uit, jaar in. Van geslacht op geslacht. Hij droeg ons voorgeslacht. Is ook voor ons een eeuwig thuis. Geen zee te hoog. Geen graf te diep.