Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Gezegend met Israël
Verkondiging op zondag 3 oktober 2021

"Israëlzondag"

Het Centrum te Nijverdal

Schriftlezingen: Genesis 11:27-12:4a en Romeinen 9:1-5

 

 “Ga! Voor jezelf… Ik zal zegenen wie jou zegenen” (Genesis 12:1-3)


 Als je ergens mee gezegend bent betekent dat niet per definitie wat moois. Het is een uitdrukking met een ironische ondertoon. Als je vlak voor je vakantie je enkel verstuikt, ben je daar mooi mee gezegend. Als je een buurman hebt die heel vaak zijn muziekinstallatie keihard aanzet, zodat jij ervan kan ‘meegenieten’, ben je daar mee gezegend. Ergens mee gezegend zijn kan betekenen: ergens mee opgescheept zitten. Met iets lastig, iets irritants, waar je mee moet ‘dealen’.

De zin die het thema vormt voor deze Israëlzondag zou je ook zo op kunnen vatten. We zijn gezegend met het volk van Abram. Gezegend met het Joodse volk. Gezegend met Israël. Ja, daar zijn we mooi mee gezegend. Daar zitten we mee opgescheept als met die verstuikte enkel of die lastige buurman. We zitten opgezadeld met het Joodse volk. Het irriteert. Het schuurt. Het is lastig.

In de geschiedenis is er eeuwenlang zó tegen het Joodse volk aangekeken. De Farao in Egypte, meer dan 3000 jaar geleden, had al flink last van het volk. Dat volk werd hem te groot, te talrijk. Met alle middelen probeerde hij Israël in te tomen. Hij liet ze als slaven werken. Hij probeerde de bevolkingsgroei te stoppen. Toen dat niet snel genoeg ging, liet hij alle pasgeboren jongetjes in de Nijl gooien. Het prille begin van een gruwelijke geschiedenis van antisemitisme. Jodenhaat. Uiteindelijk uitlopend op de moord op 6 miljoen Joden in de sjoa.

Ook de christelijke kerk heeft Joden heel vaak als probleem gezien. Vanwege hun ánders zijn. Ze kleden zich anders. Ze hebben andere gewoonten. En vooral: ze willen niet geloven dat Jezus de Messias is. Voor Paulus in zijn Romeinenbrief was dat een raadsel, dat hem hartzeer bezorgde. Hij was er diepbedroefd over dat zijn volksgenoten niet geloofden in Jezus. Bij heel veel christenen later was er geen verdriet maar pure ergernis. Die ergernis sloeg om in haat. Joden kregen de schuld van Jezus’ kruisiging. Zij die de Zoon van God hebben gedood, verdienen zelf de doodstraf. Zo vulde het geschiedenisboek van de christelijke kerk zich met gitzwarte bladzijden van pogroms en verguizing.

Ook nu nog gelden de Joden en geldt vooral de staat Israël als uitermate lastig in de wereldpolitiek. Als die in 1948 uitgeroepen en door de VN erkende staat er niet was, zou een heel groot probleem uit de wereld zijn. Heel veel oorlogen, aanslagen en andere terroristische gruwelen zijn te herleiden tot haat tegen Israël. Bob Dylan, zelf een Jood, schreef ooit een liedje met de titel ‘Neighbourhood bully’. Bullebak uit de buurt. Lastige buurman. Door de volkeren op aarde wordt zó tegen Israël aangekeken. Als een irritante lastpak die je liever kwijt wilt, Iemand waar je mee zit opgescheept. Iemand waar je mooi mee ‘gezegend’ bent.

 Gezegend met Israël. Natuurlijk kun, moet je dat letterlijk nemen. Als je de Bijbel leest, kun je niet anders. Het brengt ons terug naar die nacht (of was het overdag?) waarop Abraham geroepen werd. Ik weet natuurlijk niet precies hoe dat gebeurd is. Hoe God sprak tot Abram. Maar ik zie hem in mijn fantasie met gespreide armen staan. Hij kijkt omhoog naar de donkere sterrenhemel. Maar het licht gaat schijnen. Bij Abram gaat een licht op. Hij voelt zich aangesproken. Zo begint Genesis 12 – met de HEER die spreekt tot Abram. De HEER die dan Zijn zegen afhankelijk maakt van Abram. De zegen, Gods zegen, de zegen van de HEER, is er via Abraham. Voor hen die Abraham ‘zegenen’ is er zegen. Voor hem die Abraham bespot of minacht is er Gods vloek. God maakt zelf zijn zegen afhankelijk van onze houding tegenover Abram. En bij ‘Abram’ is het volk van Abram inbegrepen. Abram staat onder de sterrenhemel als de stamvader van Israël. En – zeg ik er dan bij – ook als stamvader van Ismaël – dat wil zeggen van de Arabieren. Ook Arabieren beschouwen zichzelf als kinderen van Abram. Islam en Jodendom hebben dezelfde aartsvader: Abraham.

De HEER belooft dat via Abram Zijn zegen de wereld in zal stromen. Abram zal zijn als een steen die de HERE God in de vijver gooit. Steeds verder golft zijn zegen over de aarde. Het begint met zegen voor Abram zelf: Ik zal jou zegenen. Het gaat verder via het volk van Abram: ‘Ik zal je tot een groot volk maken’ ‘een bron van zegen zul je zijn’. Het loopt uit op alle volken: ‘Ik zal zegenen wie jou zegenen’. Alle volken gezegend met Israël.

Maar wat wil dat zeggen? Wat wordt ermee bedoeld? Wat is die ‘zegen’? Wat is de weldaad die Abrams volk ons bewijst? Voor Abraham zelf betekent ‘zegen’ in de eerste plaats nakomelingschap. Dat speelt in de rest van zijn levensverhaal een belangrijke rol. Het draait om het kind, de zoon die hij eerst niet kan krijgen, maar uiteindelijk krijgt. Abraham ontvangt Isaak, Isaak ontvangt Jacob. Het volk van Abraham, Isaak en Jakob wordt Israël. Dat volk wordt tot zegen voor alle volkeren op aarde.  

Maar wat geeft Abraham ons dan door? Wat hebben we aan hem en Zijn volk te danken? Als we dat willen weten, moeten we even terug naar de eerste woorden die de HEER tegen Abram zegt. Hij zegt: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen’. Voorafgaand aan de belofte van zegen is er de opdracht. Een kort bevel: Ga! In het Hebreeuws staat daar “lech lecha”. Lech betekent ‘ga!’. Lecha is een voorzetsel LE met de tweede persoon enkelvoud – “jij” of “jou”. Het voorzetsel kan op verschillende manieren vertaald worden. LeCha kan betekenen: ‘voor jou’ of ‘met jou’ of ‘tot jou’ of ‘op jou’. De bekende, vorig jaar overleden Amerikaanse rabbijn Jonathan Sacks legt die vier mogelijkheden uit. Het zijn vier kenmerken van Abrams gehoorzaamheid, van zijn vertrouwen op God.

-  ‘Abram, ga!’ Klinkt het uit Gods mond. Ga! ‘Voor jezelf’. Dus: voor je eigen bestwil. Blijf niet zitten, waar je zit, maar kom in beweging. Ga gehoorzaam op weg naar het land dat Ik je wijs. Doe het – voor jezelf, want zó zul je gezegend worden.

 - Je kunt ook vertalen: ga “mét jezelf”. Je mag, je moet als je Gods weg gaat, jezelf meenemen. Je mag namelijk zelf tot zegen zijn met alles wat jij in huis hebt. En oud Joods verhaal vergelijkt Abram met een flesje vol kostbare parfum. Het flesje is gesloten en ligt ergens in een donker hoekje. Maar als het open gaat en in beweging komt, verspreidt de heerlijke geur zich door de kamer. Zo gaat Abram op weg – met zijn eigen lieflijke geur de wereld door.

 - Ga, Abraham, voor jezelf, met jezelf en ook: ga ook tot jezelf. De reis die God van Abram vraagt is ook een reis naar binnen, naar zijn eigen hart en ziel. Door gehoorzaam aan God op weg te gaan kom je tot jezelf. Daarmee tot je bestemming. Dan bereik je het doel van je leven.

- En dat doet Abram ‘op zichzelf’. Dat wil zeggen: alleen, als een uniek mensenkind. Abram maakt zijn eigen keuze. Hij gaat zijn eigen weg. De weg die de HEER speciaal van HEM vraagt.

Zo (stel ik me dus voor) zien we Abram staan in die nacht van zijn roeping. Zo, aldus Rabbi Sacks, wordt er in die nacht een nieuw mens geboren. Een nieuw type mens. De Joodse mens. De mens die zich verantwoordelijk weet. De mens die luistert naar de stem. De mens die STAAT voor God.

Staan is dan ook de typerende houding voor Joden. Wie wel eens bij de zogenaamde Klaagmuur in Jeruzalem is geweest, ziet daar hoe Joden bidden. Niet zittend maar staand. Als je in de synagoge een dienst meemaakt zul je ook heel vaak moeten gaan staan. Staan is de Joodse gebedshouding. Staan voor Gods aangezicht. 

Als we een typische houding voor een moslim moeten aangeven is dat knielen. Met de knieën op de grond en zelfs het voorhoofd naar beneden. Gebaar van onderwerping. Dat is goed om te doen op zijn tijd: verootmoediging. Weten van je eigen kleinheid, beperktheid, je eigen schuldigheid, zonde. Diep buigen voor de HEER.

 Als je het karakteristieke gebaar voor een christen zou moeten aangeven, zullen dat de twee gevouwen handen zijn. Biddende handen, die onze afhankelijkheid aanduiden. We leggen in het gebed de zorgen en vragen uit onze handen in Gods handen. En dat is ook goed om te doen. Met lege handen bij de HEER aankloppen.
Als het daar maar niet bij blijft. Wat we van onze Joodse broeders en zusters kunnen leren is dat we vooral ook moeten ‘opstaan’. ‘Staan’ voor God. Klaar staan. Klaar om te gaan. Je niet neerleggen bij voldongen feiten. Niet bij de pakken neerzitten. Maar opstaan, staan om te gaan. Bereid om Gods weg te gaan. Zoals Abraham.

‘Wie Abram zegent, zal Ik zegenen’, spreekt de HEER. Abram zegenen: dat kun je het beste door te doen als Abraham. Zijn voorbeeld volgen. Opstaan voor de HEER! Klaar staan om op weg te gaan. Bereid om de weg te gaan. Steeds op zoek naar het Koninkrijk van God. Steeds op weg naar het beloofde land van vrede en gerechtigheid. De weg gaan achter de grote Zoon van Abraham, die voor ons Gods Zoon is - Jezus, de Messias. Als geen ander ging Hij de weg die God Hem wees. De weg van de Verlossing, de opgang naar Jeruzalem, de kruisgang naar Golgotha. Paulus schrijft in Romeinen 9: Geen groter zegen is uit Abraham voortgekomen dan ‘de Christus’. Jezus Christus is voor ons Israëls grootste zegen. In het voetspoor van deze Joodse rabbi, staan we op. Achter Hem aan trekken we als pelgrims naar de Heilige Stad, het nieuwe Jeruzalem.