Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 

Gewild, geroepen, toegerust...
Kerkdienst 23 juli 2017
Lezingen: Jeremia 1 en Matteüs 10:16-20

klik hier voor opname van deze kerkdienst

‘De HEER richtte zich tot mij: ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt’ (Jeremia 1:4-5)

Vanmorgen staan we stil bij één van de mooiste kanten van het geloof. Het is de gedachte die we tegenkomen in Psalm 139. Een psalm die we vanmorgen al in twee verschillende versies hebben gezongen. ‘Heer, U doorgrondt en kent mij, mijn zitten en mijn staan en U kent mijn gedachten, mijn liggen en mijn gaan. HEER, U doorgrondt en kent mij, want in de moederschoot ben ik door U geweven. U bent oneindig groot’. Of in de berijmde versie van Psalm 139 uit het Liedboek: ‘Gij hebt mij immers zelf gemaakt, mij met uw vingers aangeraakt, met toegewijde tederheid, mijn nieren en mijn hart bereid, mij in de moederschoot geweven, mij met uw wonderen omgeven’. De gedachte dus, heel kort en krachtig gezegd, dat God ons heeft gewild, ons heeft geroepen en ons heeft toegerust.

God heeft ons ‘gewild’. Jou, u, mij. Ieder van ons. Stuk voor stuk. Eén voor één. Ieder mens door God gewild. In het geloof gaan we dus een stapje verder dan het ‘normaal’ menselijke gevoel. Dat ik, dat jij gewild bent door een moeder en een vader. Dat is al heel wat waard. Dus laat ik daar eerst eens even bij stil staan. Om voor mezelf te spreken: Ik heb het geluk dat ik gewild ben door een lieve vader en een moeder. Ze waren blij met mijn komst. Al ben ik er één uit een groot gezin van dertien kinderen, ik weet zeker dat ik niet geboren ben als ongewenst schepseltje. Hoe weet ik dat? Omdat mijn beide ouders me dat heel duidelijk hebben gemaakt. Met hun woorden en met hun daden. Met hun warme handen en hun kloppend hart. Ik ben gewild, ja gewenst. Er waren twee mensen die wilden dat ik er kwam. 
Gelukkig is die gang van zaken niet uitzonderlijk. Gelukkig is het overgrote deel van vaders en moeders superblij met de komst van hun zonen en dochters. Gelukkig zijn de meeste zwangere moeders dolgelukkig als ze hun kindje voelen schoppen in hun buik. Gelukkig zijn de allermeeste vaders de koning te rijk als ze de trap van het gemeentehuis oprennen om hun kind aan te geven bij de burgerlijke stand. Ja, gelukkig zijn de meeste pasgeboren baby’s wereldwijd hartelijk welkom. Maar dan mogen we direct onze ogen niet sluiten. Ook de keerzijde van die prachtige medaille moeten we noemen. Er zijn helaas ook veel vrouwen en mannen die hun kinderwens niet in vervulling hebben zien gaan. Ze moeten leven met een ongekend gemis. Helaas zijn er ook veel kinderen die hun vader of moeder letterlijk en figuurlijk verloren hebben. Die vanaf het prille begin ongewenst zijn of in het verloop van het leven ongewenst zijn geworden. Die verwaarloosd, misbruikt of verstoten zijn door hun ouders. 
Misschien juist daarom is het zo mooi dat het geloof een stapje verder gaat dan het vader- en moedergevoel. Het geloof zegt: ‘Niet alleen je vader en moeder, ook de HERE God heeft jou gewild’. Dat zing ik met Psalm 139. Dat lees ik in Jeremia 1. Want de woorden die God spreekt tegen Jeremia mogen we vandaag ook op onszelf toepassen. De HEER richt zich tot mij: ‘Ik heb jou gevormd in de moederschoot. Voordat jij geboren werd, was Ik al van jouw bestaan op de hoogte. Ja zelfs nóg eerder! Toen je vader en moeder nog niet wisten van jouw bestaan, toen je nog niet eens verwekt was, had Ik je al bedacht. Want Ik ben jouw Schepper. IK heb lang geleden besloten dat JIJ er zou komen. Jij hoort in mijn plan voor de wereld. Van Mij mag jij er zijn’. Dan kun je dus altijd, hoe je er ook aan toe bent, tegen jezelf zeggen: ‘Ik mag er zijn. De HEER heeft mij gewild. Hij is blij met mijn bestaan. Hij heeft mij zelf gevormd tot wie ik ben geworden. Hij heeft mij niet alleen gewild, maar Hij heeft mij ook ‘geroepen’. 

Ook dat is een grote vreugde. Ik ben geroepen. Dat je geroepen bent betekent: dat je hier op aarde niet voor niets bent. Je bent er met een bepaalde bedoeling. Je hebt een taak. Een door God gegeven taak en opdracht. Je leven is dus niet zinloos. Je bent geen druppel op een gloeiende plaat of in een eindeloze oceaan. Er is Iemand die je goed kan gebruiken. De HERE God roept je om mee te werken in Zijn Koninkrijk. Jij mag in jouw klein hoekje op zijn minst je lichtje laten schijnen. Jij mag de wereld een beetje mooier kleuren. Je mag een steen verleggen in de rivier. God roept je om in dienst van Hem te leven. Al ben je werkeloos. Al ben je door de maatschappij arbeidsongeschikt verklaard. Al moet je leven met een beperking of voel je je nutteloos. Voor de HEER is ook jouw leven van waarde. Hij geeft je leven doel en zin. Hij geeft je een taak. Hij roept je. 
Zo werd Jeremia geroepen. Toen hij nog een jongen was. Hoe oud Jeremia precies is als hij geroepen wordt is omstreden. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat hij dan tussen de 12 en 17 jaar is. Een puber dus. Nog voor de deur van het volwassen leven. Op de drempel. Bezig met de vraag: ‘Wat wil ik met mijn leven?’. Bezig met beroepskeuze en carrièreplanning. Of misschien wel niet, want Jeremia is van priesterlijke afkomst. Hem wacht dus het voor de hand liggende levenspad. Het gespreide bedje van priesterschap. Hij kan – net als zijn vader – priester worden. Maar Jeremia krijgt die droom. Of dat visioen. De Stem die hem roept. Jeremia wordt door God Zelf geroepen. Zoals ook wij geroepen kunnen worden. Door een innerlijke overtuiging. Een stem in het hart.

Jeremia wordt geroepen tot profeet. Heel bijzonder is dat. Een profeet is Gods heraut. Gods woordvoerder. Hij moet het woord van God doorgeven, zo goed als hij kan. Een bijzondere roeping, maar ook een loodzware taak. De boodschap die Jeremia moet brengen in zijn tijd is niet bepaald een rooskleurig verhaal. Hij krijgt de opdracht om uit te rukken en te verwoesten, om te vernietigen en af te breken, om op te bouwen en te planten’. Vier woorden van afbraak. Slecht twee over opbouw. Verwoesting en nog eens verwoesting en dan pas wederopbouw. Het beeld van een oorlog. In Jeremia’s tijd kwam de grote dreiging uit Babel. Babylonische legers trekken op naar steden en dorpen. De oogst wordt van de akkers geroofd. De bomen uit de boomgaarden gerukt. De stadsmuren worden afgebroken en de huizen verwoest. Vervolgens moeten de dorpelingen of de stadsbewoners eraan geloven. Ook de stad Jeruzalem is niet veilig voor de Babylonische vijand. Jeremia moet van Godswege de ondergang aankondigen van die heilige stad. Hij moet. Hij lijdt zelf onder zijn boodschap. Hij kan, hij mag niet zwijgen. Hij kan niet om zijn roeping heen. Het zal hem niet in dank worden afgenomen. Jeremia krijgt in zijn leven te maken krijgen met bittere tegenstand. Met als diepste dieptepunt die verwoesting van de stad Jeruzalem. Slechts na de ondergang, slechts door de diepte heen zal een nieuwe begin mogelijk worden. De ballingschap zal eindigen. Het volk zal terugkeren. De stad zal weer opgebouwd worden. Akkers bezaaid en olijfgaarden geplant. Maar dat laatste – die wederopbouw – zal Jeremia niet meer meemaken. Roemloos zal hij in Egypte zijn leven beëindigen. Waarschijnlijk dus door steniging.
Dus als God je roept ben je niet zeker van een zorgeloos leventje. Je roeping volgen is niet de weg van de minste weerstand gaan. Gehoorzaam zijn aan wat de HEER zegt betekent dat je de tegenstand niet uit de weg gaat. Je moet juist rekenen met tegenwerking. Je krijgt te maken met harde kritiek, spot of zelfs vervolging. Vasthouden aan je principes, vasthouden aan je geloof vraagt grote offers. Jezelf verloochenen. Het kruis van Christus op je nemen. Zoals Jezus het zegt tegen zijn leerlingen: ‘Ik zend jullie als schapen onder de wolven’. Dan moet je zijn als Maarten Luther, die op de rijksdag te Worms, tegenover zijn tegenstanders stond. Hij zei: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’. Dan moet je zijn als Dietrich Bonhoeffer de gevangenis in omdat je weigert trouw te zweren aan Hitler. Uiteindelijk kostte het Bonhoeffer – net als Jeremia – zijn leven. Vlak voor de bevrijding werd hij vermoord. Dat is de keerzijde van het ‘geroepen worden’ door God. De HEER belooft geen ‘lang en gelukkig leven’. Het is geen ‘succes verzekerd’ als je in Hem gelooft en je roeping volgt. Geen wonder, dat Jeremia ervoor terugdeinst. Hij wil niet. ‘Ik ben te jong en ook niet rap van tong. Roep maar een ander. Laat mij met rust’. Maar God overwint zijn tegenstand met Zijn laatste woord. 

Dat laatste woord is dat de God die je roept voor een taak, je ook toerust om die taak te volbrengen. De HEER zorgt ervoor dat je de taak die Hij je oplegt ook uit kunt voeren. Dat het zware kruis dat je draagt niet té zwaar wordt. Jeremia wordt ‘toegerust’. Hij ziet een hand op zich afkomen. Die hand, Gods hand, raakt zijn mond aan. Alsof hij als een kind te eten krijgt. Alsof God zijn eigen kind te eten geeft. Met Zijn Woord. Kijk, Jeremia, daar mag je van leven. Dat is jouw eten en drinken. Mijn woorden voor jou. Mijn woord van bemoediging: ‘Wees niet bang, Ik ben met je’. ‘Wees niet bang’, zegt Jezus tegen zijn leerlingen ‘Als je als schaap tussen de wolven voelt, zal Mijn Geest je bijstaan. Hij zal je de juiste woorden doen spreken. Hij legt je de woorden in de mond’. 
Zo mogen ook wij toegerust op pad gaan. We kiezen niet voor de makkelijkste weg door het leven. We gaan wel in vertrouwen: de HERE God heeft gewild dat ik er ben. Hij heeft mij geroepen tot een taak. Hij zal mij ook toerusten voor die taak. Wat het allerbelangrijkste is: Hij blijft bij me. Als ik op deze aarde Zijn Koninkrijk niet zie dagen, dan bewaart Hij mij in Zijn hand. Hij neemt mij aan zoals ik ben – als Zijn geliefd kind.