Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Gevecht in de nacht

 Kerkdienst voor 13 september
(avonddienst; leerdienst)
Schriftlezingen: Exodus 4:18-31 en Lucas 22:39-46

Opname:

Kerkomroep: Vrije Evangelische Gemeente  Nijverdal
13 september 2020, 18.30 uur  

“Onderweg, toen Mozes en de zijnen ergens overnachtten, kwam de HEER op hem af en probeerde hem te doden. Sippora pakte een scherpe steen, sneed de voorhuid van haar zoon weg en raakte daarmee Mozes’ voeten aan, terwijl ze zei: ‘Een bloedbruidegom ben jij voor mij.’ (Ze noemde hem toen ‘bloedbruidegom’ vanwege die besnijdenis.) Toen liet de HEER hem met rust.” (Exodus 4:24-26)

In de eerste hoofdstukken van het boek Exodus spelen vrouwen de hoofdrol. De vroedvrouwen Sifra en Pua negeren het bevel van de farao om pasgeboren Hebreeuwse jongentjes te doden. De moeder en de zus van Mozes zorgen dat de kleine Mozes gered wordt. Door de dochter van de Farao wordt Mozes uit het water gehaald. Vrouwen zijn de reddende engelen. Gods werktuigen in het reddingsplan. En dan is er hier Sippora, de vrouw die Mozes in Midian ontmoet heeft. ‘Vogeltje’ betekent haar naam. Met haar bouwt Mozes een nestje. Hij trouwt met haar en ze krijgen kinderen. Als Mozes terugkeert naar Egypte, neemt hij hen mee. Dan, onderweg, in het nachtverblijf, vindt er een mysterieuze gebeurtenis plaats. Ook hier speelt de vrouw, Sippora, de hoofdrol. Zij weet op het beslissende moment precies wat haar te doen staat. Als in die nacht Mozes’ leven bedreigd wordt, besnijdt zij haar zoon en Mozes wordt gered.

Als we hier iets van willen begrijpen, moeten we om te beginnen alle moderne sentimenten over besnijdenis achter ons laten. Besnijdenis van jongens was en is (in tegenstelling tot vrouwenbesnijdenis) bij vele volkeren een normaal gebruik. Het is niet slecht voor een jongen om besneden te worden. Integendeel: het schijnt zelfs medisch gezien een verstandige ingreep. Deze ingreep gebeurt bij verschillende volkeren op een verschillende leeftijd. Joden besnijden jongens op de achtste dag. Midjanieten besneden hun kinderen pas als ze ouder waren, zoals nu nog bij islamitische jongens gebeurt. En – vergis je niet! – die beschouwen die best wel pijnlijke ingreep als een eer en een feest.

Maar dit terzijde. Want het is me het verhaal wel, wat hier verteld wordt!

Het gebeurt onderweg naar Egypte. In het nachtverblijf, waar Mozes met zijn vrouw en kinderen overnachten… Daar is plotseling een gevecht. Iemand komt op Mozes af. Iemand probeert hem te doden. Wat er precies gebeurt, is niet duidelijk. Is het een letterlijke overval? Of zou een hedendaagse arts bij Mozes een plotseling opkomende ziekte geconstateerd hebben? Een brandende koortsaanval. Een beroerte of een hartinfarct. We weten het niet. Wat we te horen krijgen, is het voor ons zo onbegrijpelijke: het is niemand minder dan de HEER, die erachter zit. Het is de HEER, die Mozes probeert te doden. Het is een gevecht in de nacht op leven en dood – gevecht met God.

Vechten met God. Dat komt vaker voor in de Bijbel. Denk aan aartsvader Jacob. Als hij terugkeert naar zijn vaderland en zijn broer Ezau moet ontmoeten. Dan worstelt hij bij de beek Jabbok met God. Hij vecht met God, totdat God hem zegent. 
We denken ook aan dat bittere gevecht in de nacht, dat Jezus voert in Getsemane. Waar Hij bidt of de drinkbeker van Hem weggenomen mag worden. Zijn leerlingen, op steenworp afstand, zijn in slaap gevallen. Zweet valt als broeddruppels op de harde aarde. De Zoon vecht met de Vader.

Hoe mysterieus het allemaal ook klinkt, misschien, dat jij nu toch denkt aan jouw eigen ‘gevecht in de nacht’. Een strijd, die je ooit gevoerd hebt. Innerlijke strijd met jezelf. Gevecht met wanhoop, verdriet, pijn. Die donkere nacht, die duistere tijd in je leven. Toen het pikdonker om je heen was. Met een hart onrustig vol van zorgen, een vleugellam geslagen ziel. Je kon de slaap niet vatten. In die lange nacht voerde je een eenzaam gevecht. Jij met God. Ja, je vecht met God. Een onverwachte overval. Inbreuk op je bestaan. Plotseling viel de duisternis in. Je begrijpt niet waarom. Zo is het ook bij Mozes.

Mozes is onderweg naar Egypte. Eindelijk, zou je zeggen. Het heeft veertig jaar geduurd. Veertig jaar is Mozes herder geweest voor de kudde van zijn schoonvader Jetro. Hij had zich al helemaal verzoend met zijn herdersbestaan. Zijn volk in Egypte, zijn familie daar, voelt steeds verder weg. Hij kan zich vast nog wel druk maken en de vuisten ballen om het onrecht dat hen wordt aangedaan. Maar het is machteloze woede. Daar koop je niets voor. Daar leer je in veertig jaar woestijn wel mee omgaan… Totdat hij plotseling Gods stem hoort vanuit de brandende doornstruik. Gods stem, die hem roept en naar Egypte stuurt: ‘Ik stuur jou naar de farao; jij moet mijn volk uit Egypte wegleiden’. Hij sputtert tegen. Hij wil niet naar Egypte. Hij komt met de ene na de andere uitvlucht. ‘Wie ben ik? Ik, simpele herder. Ik kan niet eens goed uit mijn woorden komen. Ze zien me daar aankomen. Ze zullen me uitlachen, weghonen, opruimen. Nee, God, stuur een ander. Mij niet gezien, laat me met rust. Wie bent U eigenlijk? Ik ben Mozes. ik ben bang…’. Na lang aandringen, gaat Mozes uiteindelijk toch op weg. Overweldigd door de opdracht. En bemoedigd. God geeft hem tekens mee: een staf in zijn hand, waarmee hij wonderen kan doen. God geeft hem Zijn Naam mee: HERE - ‘Ik ben, die Ik ben’. ‘Ik zal er zijn voor jou’. ‘Je staat er niet alleen voor. Ik ga met je mee…’ Mooie woorden, waar Mozes het mee moet doen. Mozes doet het er maar mee. Hij gaat naar zijn schoonvader en kondigt zijn vertrek aan. Maar uit zijn woorden blijkt, dat hij nog steeds niet van harte gaat. Hij laat tegenover Jetro het achterste van zijn tong niet zien. Op de vraag ‘wat ga je daar in Egypte doen?’, antwoordt Mozes: ‘O, ik ga kijken of de mensen van mijn volk nog in leven zijn’. Achter die woorden hoor je de aarzeling. Mozes verbergt de angst voor de toekomst, diep in zijn hart. Met knikkende knieën zet Mozes vrouw en kinderen op een ezel. Hij gaat op weg, terug naar Egypte. De woorden van God gaan met hem mee… voor wat ze waard zijn… Want in de nacht, uitgerekend in de eerste de beste nacht, op de weg naar Egypte, is God daar. Maar hoe! De HEER staat tegenover Mozes als een nachtelijke overvaller. Hij zoekt Mozes op om hem te doden – “Ik zal er zijn voor jou…” Ja, ja… Hij is er en staat Mozes naar het leven! Als ik zo iets in de Bijbel lees, duizelt het mij. Daar snap ik werkelijk niets van. God wil dat Mozes naar Egypte gaat. Na lang aandringen gaat hij eindelijk op weg. Aarzelend, bang - maar toch! Vervolgens wil diezelfde opdrachtgever zijn bange dienaar doden? Daar kan ik niet bij. Een stukje Bijbeltekst, waar je geen kant mee op kunt. Je hebt de neiging om het uit de Bijbel te scheuren. Dat kan ook bijna zonder moeite. Niemand zal het missen. Mozes gaat naar Egypte, naar de farao. Na veel moeite laat de Farao tenslotte het volk Israël gaan. Klaar! Dat verhaal is al spannend genoeg. Daar heb je dit nachtelijk gevecht met God toch niet bij nodig? Mozes komt zo tóch ook wel in Egypte!

Of moet je zeggen: het is wel heel realistisch, wat hier verteld wordt. Uit het leven gegrepen. Want het leven is geen lange vlakke rechte weg naar boven. Ook het leven met God is geen geplaveide snelweg. Het leven zit vol onverwachte hobbels. We komen valkuilen tegen, waar we plotseling in terecht kunnen komen. We vallen, we struikelen, we raken gewond. De levensweg is als de weg van Jezus. De bittere drinkbeker gaat niet aan je voorbij. Je moet de kruisweg gaan. De weg naar Golgota. Bloed zal vloeien.

We begrijpen het niet. We snappen niet, waarom het moet gaan, zoals het gaat. Gods wegen zijn duister en we vragen ‘waarom’. Plotseling kan je leven zo maar een duister gevecht worden. Gevecht in de nacht, gevecht met God. Want waar is Hij nu, die jij je Vriend, je HEER, je God noemt? Waar is de HEER, die je altijd als ‘je Herder’ hebt bezongen? Waar is die God, in wie je levenslang hebt geloofd en waarop je altijd hebt vertrouwd? De nacht valt in. Hij is er niet. Of staat Hij zelfs recht tegenover je? Als een duistere vijand. Als een nachtelijke boze geest, die je van jouw goede leven wil beroven. Uitgerekend op de dag, dat hij in Gods Naam naar Egypte gaat, keert God zich tegen hem.

Waarom? Is er een antwoord op de vraag naar het ‘waarom?’ Misschien… ik durf het bijna niet te geven. Misschien, omdat ik tussen de regels door lees, dat deze gebeurtenis Mozes blijvend verandert. Omdat ik denk, dat juist deze gebeurtenis van Mozes een ander mens maakt. In de nacht maakt Mozes mee, dat het leven aan het zijden draadje van Gods genade hangt. Hij ondervindt aan den lijve, dat er Eén is, die hem zo maar kan doden. Niet de farao of welk mens dan ook. God, de HEER heeft zijn leven in de hand. Mozes ervaart, dat er één HEER is over dood én over leven. Ja, én over leven! Want zijn dodelijk bedreigd leven wordt hem terug gegeven. Dankzij die vrouw aan zijn zijde. Zijn bruid, Sippora, redt hem het leven. Door haar zoon te besnijden. Het bloed op Mozes’ benen te strijken. Zo wordt hij haar bloedbruidegom. Een wonderlijk, bloederig teken. Voor Israël is de besnijdenis het teken van het verbond van God met Abraham. Het bloed van de besnijdenis is het bloed van het verbond. Door de besnijdenis weet je, dat God zich ook aan jou verbinden wil. Sippora laat in de nacht dat bloed vloeien. Ze laat het zien aan Mozes. Ze houdt het voor aan de HEER. Als een gebed, een hartstochtelijke kreet naar Boven: ‘O God, gedenk uw verbond, gedenk uw volk, gedenk uw dienstknecht. Gedenk uw kinderen. Wij horen bij U. Gun ons leven door het bloed van het verbond’. Zo gaan Mozes en Sippora samen verder als bruidegom en bruid van het verbond. Verbonden met elkaar door Gods liefde. Een nieuwe start, een nieuw begin. Met de HEER van dood en leven. Dezelfde HEER, die door Jezus’ bloed ook ons het leven geeft. De HEER, die de drinkbeker niet aan zich voorbij liet gaan. Jezus, wiens bloed vergoten is tot volkomen verzoening van onze zonden.

Na het nachtelijk gevecht met God lezen we, dat Mozes onbevreesd naar Egypte gaat. Dat hij onverschrokken het paleis van farao instapt. Overtuigd van zijn roeping. Overtuigd ook van Gods bijstand. Het gevecht in de nacht heeft hem kracht gegeven. De vreze des HEREN heeft zijn angst voor de farao verdreven. Met Jezus gaat hij voor ‘uw wil geschiede’.

Als je God eenmaal zó hebt ontmoet, zó in de nacht, in zo’n bloederig gevecht, weet je – gek genoeg – dat je voor niets of niemand meer bang hoeft te zijn. Je kijkt op een andere manier tegen het leven aan. Je staat anders in het leven. Je bent een ander mens geworden. Als Mozes ga je aan de slag met de opdracht, die de HEER jou geeft. Als nieuw mens op een nieuwe morgen. Opnieuw geboren en getogen.