Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Geen schooner vers...

Kerkdienst 1 november 2020
De Regenboog te Nijverdal

Ook uitgezonden via Kerkomroep en YouTube-kanaal 

=======================

 



Micha 6 vers 8 is een Bijbeltekst om goed in je oren te knopen. Je zou het op een tegeltje kunnen zetten en in de kamer kunnen ophangen. Ik heb het zelfs al op een mondkapje zien staan. In het Engels en in verkorte vorm – maar toch. Een Bijbeltekst om in te lijsten. Om niet te vergeten. Nooit te vergeten.
Vroeger was men daar al van overtuigd. Er zong in Nederland een rijmpje rond, dat luidt: ‘Geen schoner vers met meerder kracht, dan Micha zes en wel vers acht’. Een eeuwenoud rijmpje. Opgetekend in een boek met bekende Oudhollandse gedichten en versjes. Vroeger – zo las ik ergens - was het onder andere te vinden boven de deur aan de binnenkant van het kerkje van Offringawier in Friesland. Als je uit de kerk huiswaarts keerde, kon je er niet om heen. Het rijmpje stond – volgens de overlevering - ook op de boeg van het turfschip van schipper Minne en zijn vrouw Femmechien uit Assen. Zij verkochten hun turf. Deze wijze woorden kreeg je er gratis bij. Micha zes vers acht: een Bijbeltekst met grote kracht. In deze woorden wordt kort maar krachtig verteld, wat goed is en wat de HEER van ons verwacht!

Wat goed is – TOF staat er in het Hebreeuws. Zoals in Genesis 1 – En God zag dat het TOF was. Goed is, wat God van ons vraagt. Gods goede wensen. En daarom: Goed voor mij, goed voor jou. Goed voor onze wereld. Goed voor ‘de mens’. ‘Er is jou mens gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil…’. Het goede, wat de HEER van ons mensen verwacht, vinden we samengevat in Micha zes vers acht. Wat is goed voor een mens? ‘Recht doen’, ‘Trouw bewaren’ en ‘Op weg gaan met God’. Zo kort en krachtig. Zo eenvoudig wordt ons de goede weg gewezen. Dat komt goed van pas, want daar hebben we nu juist enorme behoefte aan. De juiste weg door het leven. De goede weg, die ons veilig door alle wereldproblemen heen leidt. Ook in onze tijd van Coronacrisis en terroristische dreiging. Wat staat ons te doen? Waar doen we goed aan? Wat moet je kiezen? Linksaf, rechtsaf, recht door zee? Met Rutte, Baudet of met Jesse mee? Met welk idee, stroming of religie kun je meegaan? Je kunt er dikke boeken op naslaan. Maar zeg ons nu eens even kort en krachtig: Wat is goed?
Profeten leggen de vinger bij de zere plek. Ze wijzen aan wat er niet goed gaat. Als iets niet goed gaat, moet je erover praten. Je komt bij elkaar. Je vecht het figuurlijk uit, voordat je elkaar letterlijk in de haren vliegt. Je PRAAT het uit. In de Oud oosterse, Bijbelse samenleving hadden ze daarvoor een prachtig plekje. Het was de poort van de stad. Geen dure rechtbanken, advocatenkantoren en tribunalen. Als je vindt, dat er iets niet goed gaat, kom je naar de poort. Daar is ruimte voor een goed gesprek. Daar is een pleintje, waar je een geschil als volwassen mensen op kunt lossen. Daar bij de poort zitten de oudsten, de oude wijze mannen. Zij luisteren naar jouw verhaal en naar het verhaal van je tegenpartij. Alles volledig in het openbaar. Letterlijk onder de open hemel. Terwijl mensen in- en uitgaan. Getuigen pluk je gewoon van de straat. Iedereen mag het horen. Openbaarheid van bestuur in optima forma. Geen ‘achterkamertjespolitiek’ of ‘gekonkel in de wandelgangen’. Laat staan ‘afluisterpraktijken van geheime diensten’. Alles, wat in de poort van de stad gezegd wordt hangt aan de grote klok. Dat is essentieel voor elke rechtsgang. Geen slinkse afspraken. Geen stiekeme ‘deals’. Geen ‘doofpot’. Gewoon: open en bloot met je geschil naar de poort.

In Micha 6 verschijnt er een verrassende aanklager in de poort. Het is God Zelf. Het is niemand minder dan de HEER die zijn opwachting maakt. Lang verwacht, eindelijk gekomen. Maar pas op met vurige verwachting… De HEER heeft namelijk een appeltje met ons te schillen. Want het gaat niet goed. De HEER komt met een aanklacht. Dus verschijnt Hij op de gebruikelijke openbare plek. Hij komt naar de poort van de mensenstad. Er is helaas wel één probleem: er zijn geen rechters en er zijn geen getuigen. De aangeklaagde partij is namelijk het hele volk, ja eigenlijk de hele mensheid. Heel het volk wordt in het beklaagdenbankje geplaatst. De oudsten van de stad, de leiders van het volk kunnen geen recht spreken. Ze zouden oordeel moeten vellen over hun eigen fouten. Gewone, onschuldige, niets vermoedende voorbijgangers zijn er niet, wanneer de HEER in de poort verschijnt. Onafhankelijke getuigen kun je niet vinden. Niemand heeft schone handen. Iedereen schiet tekort. Geen mens die goed doet, zelfs niet één. De hele mensheid wordt op het matje geroepen. Dus moeten er andere getuigen worden opgetrommeld. Als de mensen niet goed genoeg zijn, moeten de bergen en de heuvels maar op komen draven. ‘Laat de bergen het horen, laat de heuvels getuige zijn. Luister bergen naar het pleidooi van de HEER’. Hoor naar wat de HEER te zeggen heeft. Voor de oren van bergen en heuvels leest de HEER zijn aanklacht voor: ‘O mens, waar ben je mee bezig? O mens, waar ga je naar toe?’. De HEER verschijnt – maar niet als strenge rechter of onbewogen aanklager. Hij houdt geen kil pleidooi. Hij velt geen vonnis zonder blikken of blozen. ‘Net goed, eigen schuld. Wie niet horen wil, moet maar voelen’. Dat ZOU je verwachten van de HEER van hemel en aarde. De hoogste Rechter kan recht spreken vanaf zijn verheven zetel. Maar nee, we zien daar in de poort van de stad een bewogen HEER staan. Een God, die zich verdrietig afvraagt, hoe het in hemelsnaam altijd zo mis gaat. Hij kan het maar niet begrijpen, dat de mensheid altijd weer het goede pad verlaat. Hij heeft er alles aan gedaan om de mensen het goede bij te brengen. ‘Mijn volk, wat heb ik misdaan? Ik heb je bevrijd uit Egypte, gebracht naar het beloofde land. Geen vijand kon schaden. Geen rivier was te breed. Je kwam er veilig doorheen. Ben je dat vergeten? Ben je vergeten, hoe Ik jullie verlost heb? Ben je vergeten, hoe goed Ik voor jullie ben?’.

Zo staat God in de poort van de stad. Zo staat Hij in de poort van de stad, die ‘wereld’ heet – de stad der mensheid, de stad van de mens. Wij zien Hem staan, wij mensen van de aardse stad. Ook in onze poort klinkt de aanklacht. Hoe kan het, dat jullie geen oplossing vinden voor die grote milieuproblemen? Hoe kan het, dat miljarden mensen in jullie aardse stad nog steeds onder de armoedegrens leven? Hoe kan het dat juist de armste mensen vaak de hardste klappen krijgen van jullie crises? Hoe kan het altijd maar weer zó mis gaan met Mijn aarde en met Mijn mensen?

Het is onze Vader, die het ons vraagt. Onze Schepper en Verlosser. Hij heeft, toen het verkeerd ging, met ontferming bewogen Zijn Zoon naar de aarde gezonden. Om ons te redden. We zien de tranen in zijn ogen. We zien een bedroefde Vader staan, die zijn kind de vernieling in ziet gaan. De bewogen Vader van een verloren zoon. En - het kan toch niet anders? - déze God ‘raakt’ ons. We moeten Hem gelijk geven. Hij staat in Zijn recht. Dus vragen wij mensen in de poort: Wat moeten wij doen? Hoe kunnen wij het goed maken? Hoe moeten wij boeten voor onze schuld? Welk offer kunnen wij aanbieden: kalveren, rammen, liters olijfolie? Of moet ik zelfs mijn eerstgeboren zoon offeren aan de grote Rechter?
En dan klinkt het: verbazingwekkend kort, maar met grote kracht in Micha 6 en wel vers 8. Woorden om te onthouden. Woorden om op te schrijven boven de uitgang van een kerkgebouw. Of op de boeg van het scheepje, waarmee jij door de wereld vaart. Maar beter nog: woorden om in praktijk te brengen. Woorden, die weinig uitleg nodig hebben. Het is nu gewoon DOEN.

‘Recht doen, trouw betrachten en nederig de weg te gaan van God’. Rechtvaardig, betrouwbaar, met God aan je zij door het leven gaan. Daar is geen woord Frans bij. Dat knopen we in onze oren. Daardoor laten we ons doen en laten bepalen. Als slaven die op hun HEER wachten en Hem bedienen als Hij komt. Als Hij komt - in de persoon van onze minste medemens. Vanmorgen komt Hij tot ons als een straatmeisje uit de stad Accra in Ghana. Alie ter Avest zal straks iets over haar en haar lotgenoten vertellen en laten zien. Ze heeft onze hulp nodig. Met ons geld kunnen we haar recht doen. Tegenover haar kunnen we trouw betrachten. Door haar te helpen, gaan we nederig de weg van God. En als we dan voor haar iets gedaan hebben, kloppen we onszelf niet op de borst. We zeggen als slaven tegen onze goede Meester: ‘We hebben enkel onze plicht gedaan’. We hebben gewoon in praktijk gebracht wat we hebben gelezen in Micha zes vers acht.