Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

GA OPEN!
kerkdienst 4 september 2022
Het Centrum te Nijverdal

“Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!’, wat betekent: ‘Ga open!’” (Marcus 7:34)

Stel je voor, dat je niet kunt horen… Stel je voor… Ja, stel je eens voor, dat je DOOF bent… Als je het je voor kunt stellen.  Nou, dat kan ik niet. Doofheid is één van die kwalen waarvan je niet kunt voorstellen wat het is, als je het zelf niet hebt. Ik kan wel even mijn vingers in mijn oren doen. Ik heb ook wel eens na een zware verkoudheid een paar dagen slecht kunnen horen. Maar altijd permanent doof zijn? Ik kan het me niet voorstellen. Het lijkt me verschrikkelijk. Het is één van de lastige kwalen, die een mens kan krijgen. Vraag dat maar eens aan iemand, die doof is. Doof zijn zie je niet aan de buitenkant, zoals bij een gebroken been. Blindheid kun je misschien nog wel herkennen aan de stand van de ogen, de blindenstok of de blindengeleidehond. Doven zijn misschien te herkennen aan een gehoorapparaatje, maar dat is steeds kleiner geworden de laatste jaren… En dat is mooi, zulke piepkleine technische snufjes, maar het maakt doven nóg moeilijker te herkennen.

Je zult maar doof zijn. Ik moet er niet aan denken om door een bos te lopen en de vogels niet meer te horen fluiten. Of in de bergen de ruisende waterval. En wat zal ik dát missen wat volgens mij één van de mooiste uitvindingen van de HERE God is: muziek! Nooit meer Bono, nooit meer Bach. En dan heb ik het nog niet eens over een praatje maken… Hoe lastig dat is, als je slechthorend of helemaal doof bent. Dan vraag je aan de ander: ‘Hoe laat is het?’ Geen antwoord! Nog eens, harder! ‘HOE LAAT IS HET…’ Wat zeg je? NOG eens, NOG harder: HOE LAAT IS HET? Eindelijk komt er antwoord… Als het meevalt het juiste antwoord op de juiste vraag…

Ik zal nooit vergeten, dat ik als jonge dominee op bezoek kwam bij een oude man, die echt stokdoof was. Ik moest recht tegenover hem gaan zitten. Heel langzaam en duidelijk praten… ‘Als je doof bent’, zei hij, ‘kom je overal buiten te staan. Je raakt geïsoleerd. Je kunt niet meer naar een feestje, want dan zit je er maar voor spek en bonen bij. Bovendien: als je steeds maar weer moet vragen: ‘Wat zeg je?’, dan denken ze op een gegeven moment dat je gek bent. Dan gaan ze niet meer tegen, maar alleen nog maar OVER je praten. Dan ben ik blij, als ik weer naar huis kan. Maar thuis zoeken ook steeds minder mensen mij op. Het is namelijk doodvermoeiend om met een dove te moeten praten”. Dat kon ik beamen: ik was bekaf toen ik na drie kwartier weer vertrok.

Doofheid isoleert. Doofheid slaat je – letterlijk en figuurlijk – dicht. Je raakt opgesloten in je eigen lichaam.

Prachtig dus om in de Bijbel te lezen, dat Jezus zich ook het lot van dove mensen aantrekt. Blinden laat Hij weer zien, lammen laat Hij weer wandelen, doven opent Hij de oren… En HOE!

Wat een prachtig voorbeeld geeft Hij ons hier in de evangelielezing van vanmorgen. Hij vertelt ons hoe WIJ zouden moeten omgaan met onze dove medemens. Dit Bijbelgedeelte is één van de vele wonderververhalen in de Bijbel. Als Jezus aan het werk gaat gebeuren er wonderen. Genezingen. Melaatsen worden gereinigd. Demonen worden uitgedreven. Blinden gaan weer zien. Lammen gaan lopen. Stommen kunnen praten en van doven gaan de oren open. Maar nergens wordt zó uitgebreid als hier verteld, hóe Jezus geneest. In de meeste gevallen staat het er niet eens bij, wat Jezus doet om een zieke te genezen. Hooguit dat Hij iemand bij de hand pakt, aanraakt of de handen oplegt. Meestal, je kunt wel zeggen: altijd, gaat het met woorden gepaard. Jezus spreekt machtswoorden. Scheppingswoorden, zoals Zijn hemelse Vader. Hij spreekt en het is er. Ook in het verhaal van vanmorgen, spreekt Hij uiteindelijk zo’n machtswoord. Maar eerst wordt uitgebreid verteld, wat eraan vooraf ging. Juist dát is voor ons zo leerzaam. Over hoe wij om gaan of zouden moeten omgaan met onze zieke of gebrekkige medemens.

We lezen om te beginnen: ‘Er werd iemand bij Hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak’. De dove komt niet zelf naar Jezus. Hij wordt bij Jezus gebracht. Passief! Zo treffend! Zo typerend hoe wij mensen vaak met gehandicapte mensen omgaan. Als een lijdend voorwerp. Als een ding, een geval, dat je oppakt en ergens heen brengt. Bij Jezus in dit ‘geval’. En de mensen, die hem brengen, weten eigenlijk ook al, wat Jezus zou moeten doen. Ze vragen of Jezus aan de dove de hand op wil leggen. Even een aanraking als met een toverstaf. Een magisch ritueel, waardoor de kikker weer in een prins zal veranderen.

Maar voor Jezus is deze dove geen kikker en geen ‘geval’. Geen willoos ding. Hij neemt de dove apart. Hij gaat met deze dove naar een stille plek. Jezus gaat met deze dove het gebied in, waar de man woont: het gebied van de stilte. Jezus treedt binnen in zijn domein. Daar staan ze recht tegenover elkaar. Jezus ziet hem staan – als mens tegenover mens. Ze kijken elkaar in de ogen. Een persoonlijke ontmoeting onder vier ogen. Voor Jezus is ieder mens een Persoon. Uniek, bijzonder, alle aandacht waard. Daar praat je niet over, daar praat je mee. Dat kan. Je kunt praten mét de dove. Met handen, ogen, lippen… In gebarentaal.

Jezus steekt zijn vingers in diens oren - duidelijk natuurlijk: om zijn doofheid aan te duiden

Jezus spuwt - daar is niets vies aan. Speeksel gold in die tijd als heilzaam, geneeskrachtig

Jezus raakt met het speeksel zijn tong aan - hij sprak namelijk ook gebrekkig

Jezus kijkt omhoog naar de hemel - als een gebed naar de hemel: onze hulp komt van de HEER.

Jezus zucht - een diepe zucht van verlangen)

Jezus zegt iets. Niet veel. Eén woord. Meer niet. Voor een goede verstaander is een half woord genoeg. Eén woord is dus meer dan genoeg. Effata!

EF-FA-TA. voor ons een vreemd woord, maar het is een woord uit de omgangstaal van die tijd: het Aramees. Ook echt een woord, dat je niet alleen met je oren kunt horen, maar ook met je ogen kunt zien! Een woord, dat je makkelijk kunt liplezen…: Ef-fa-ta. GA OPEN!

Zo kan de dove man weer horen. Eigenlijk nog voor Jezus het wonder heeft verricht. Want horen kun je niet alleen met je oren. Een mens kan horen met zijn ogen en zijn handen en zijn mond… Handen heb je om te horen. Ogen heb je om te horen. Oren heb je om te horen. Horen kun je zelfs en zelfs bij voorkeur met je hart. Als koning Salomo in zijn droom van God een wens mag doen, vraagt hij van de HEER ‘een opmerkzame geest’. Letterlijk staat er in de Hebreeuwse grondtekst van 1 Koningen 3 – lev sjomea, een horend hart. Een hart dat luistert. Dat is nu precies, wat God van ons vraagt. Om alles, wat we hebben, te gebruiken om in de allereerste plaats te HOREN! Te luisteren. Luisteren is het allereerste en allergrootste gebod. Sjema Jisraël – hoor, luister Israël. Luister met je oren, je ogen, je gevoel, je verstand. Luister met je hart. Dan ontspringt de liefde. Liefde begint met luisteren – naar een ander, naar De Ander.

Anders gezegd: Om te luisteren heb je oren gekregen. Maar met gezonde oren ben je er niet. Je kunt doof zijn – daar kun je niets aan doen. Je kunt gesloten zijn – dan hoop je dat er iemand als Jezus komt om jouw wereldje heel behoedzaam binnen te treden. Je kunt ook doof WILLEN zijn. Je kunt jezelf ook afsluiten. Voor de stem van een ander, voor de stem van Jezus. Hopelijk neem je dan dat éne woord van Jezus ter harte. ‘Effata – ga open!’. Stel je hart open voor de woorden van een ander. Doe je leven open voor de woorden van God. Niet horen, maar luisteren. Echt luisteren.

God vraagt van ons niet in de eerste plaats om te spreken. Hij vraagt ons te luisteren. Eerst luisteren, dan spreken. Dan wordt het goed. Echt goed. Als de omstanders merken dat hun dove vriend weer horen en spreken kan, jubelen ze het uit. Ze kunnen zich niet inhouden, ook al verbiedt Jezus het hun. ‘Alles wat Hij doet, is goed’, roepen ze uit. Woorden die doen denken aan de zevende dag van de Schepping. Toen zag God alles wat Hij gemaakt had en het was zeer goed. Als de dove genezen is, is dat Gods goede bedoeling. De Schepping is hersteld. Een eerste begin van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

De HEER geeft ons oren. Daarmee hebben we een prachtig instrument gekregen. Maar daarmee zijn we er niet. Om je oren écht te gebruiken, moet je eerst stil worden. Luisteren. Eerst luisteren… Best moeilijk… Maar je kún het leren… Jezus wil het je leren. Geef Hem je oren, je stem, je hart. Stil zijn voor Hem. Open gaan voor Hem. Dan hoor je Zijn stem: Effata, klinkt het. Ga open! En dan gaat er een prachtige wereld voor je open. Je wordt een door Jezus geopend mens. Je wordt een mens zoals God het heeft bedoeld.