Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

 

ENGELENVERHALEN
Kerstnachtdienst 24 december 2017
Lezingen: Lucas 2:1-14

Opname van deze kerkdienst: binnenkort beschikbaar

Opeens stond er een engel van de HEER bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de HEER, zodat ze hevig schrokken” (Lucas 2:9)


Het zal je maar gebeuren. Midden in de nacht. Donkerheid, Duisternis. Mist, Nevel. Bewolkte hemel, geen zon, geen maan, geen ster te zien. Maar dan plotseling: Licht! Een engel verschijnt. Uitbundige doorbraak van stralend licht. Verrassende inbreuk. En schrik, grote schrik… Vrezen met grote vreze.

Ik zou die herder wel eens willen spreken. Eén van de herders van Bethlehem die ‘het’ hebben gezien. Of moet ik zeggen: die ‘hem’ of ‘haar’ hebben gezien. Die engel van de HEER. Niet zo maar een boodschapper. Góds boodschapper. Midden in de nacht. Die de nacht doorbreekt en de duisternis verjaagt. Ik zou aan die herder willen vragen: kan jij misschien omschrijven hoe die engel eruit zag? Had hij inderdaad witte kleren aan? Had hij vleugels? Of was het gewoon een alledaagse verschijning? Maar wat was dat nu wat deze engel met zich mee bracht? Dat stralende licht van de HEER? Die ‘heerlijkheid’, die glorie? Kwam dat rechtstreeks uit de hemel vandaan? Als een spotlight gericht op het podium? Stonden jullie plotseling in het middelpunt van Gods belangstelling? Of was de engel zelf de lichtbron? Brandde hij voor jullie ogen als een kaarsje in de nacht… Als een lampje, dat aangaat als je de stekker in het stopcontact steekt.

Ja, zo stel ik me dat wel zo’n beetje voor, in mijn onwetendheid. God woont in de hemel als een bron van licht, vuur, energie. Een krachtbron van onmetelijke ultrahoogspanning. Bron van licht en leven, maar ook levensgevaarlijk. Ontoegankelijk vuur. Verblindend licht. Heilig, heilig, heilig is de HEER. God als de Ondragelijke spanning, die zich zo maar kan ontladen. En berg je dan maar… voor Gods stralende licht, voor Gods heerlijkheid. Wij stervelingen zijn niet bestand tegen zoveel licht en vuur.

In de Bijbel kom het voor, dat de HEER Zijn heerlijkheid laat zien. Niet zijn volle heerlijkheid, niet het volle licht van Zijn aangezicht, maar mondjesmaat. Gebroken licht als de zon door gebrandschilderd glas. Als hoogspanning die zich verdeelt, zich transformeert in kleine stroompjes. Zwakstroom. Duizenden lichtjes kan God zo laten branden. Miljoenen vlammetjes in ieders leven. Zo is de aarde vol van Zijn heerlijkheid. Zo wemelt het op aarde van Gods levenslichtjes. Gods Geest doorstraalt de Schepping. Schept het leven. Telkens weer.  Zo zien we om ons heen iets van Gods heerlijkheid. Maar soms schiet een felle bliksemschicht uit de hemel en slaat op aarde in. De Ontzagwekkende laat Zich zien. Een vurige wagen met vurige paarden ervoor… Een lichtende wolk die de tempel vult. Als laaiend vuur op de top van een berg, maar ook als de vlammetjes van de brandende braamstruik. Daarin is God te zien. Iets van Gods glorie, Gods heerlijkheid, Gods stralende licht.

‘Zeg eens, herder? En wat heb jij gezien? Heb jij toen daar iets van God gezien? Iets van Gods heerlijkheid? Daar in het veld van Efratha? Was het de hemelse HEER Zelf in volle glorie? Werd jij wakker gemaakt door een lichtflits van Boven? En hoe voelde dat dan herder? Ja, je schrok. Dat zou ik ook gedaan hebben. Maar je schrik verdween. Was dat wat je voelde en wat je zag afschrikwekkend? Of was het toch ‘zo vriendelijk en veilig als het licht, zo als een mantel om je heen geslagen?’. Was het voor jou een zelfde ervaring als de Godservaring van Pascal?

Blaise Pascal was een geniale 17eeeuwse Franse geleerde. Naast zeer geleerd was hij ook diep gelovig. Dat kwam door een bijzondere ervaring. Een Godservaring. Zijn ‘bekering’ zou je kunnen zeggen. Pascal mocht iets van Gods glorie, Gods heerlijkheid zien. Hij kon nog precies aangeven wanneer het plaats vond. ‘Op maandag 23 november van het jaar van Gods genade 1654 tussen half 11 ’s avonds en half één ’s nachts’, schrijft hij. Midden in de nacht, de nacht van vuur. Pascal schreef met horten en stoten het onbeschrijfelijke op een klein stukje papier: ‘God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob. Niet van filosofen, niet van geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel, Vreugde, Vrede, God van Jezus Christus. Uw God is mijn God. Mijn God is uw God, Vreugde, vreugde, vreugde. Tranen van vreugde. Eeuwige vreugde na een dag van aardse beproeving’. Pascal naaide het briefje vast in de voering van zijn jas. Hij droeg het zijn verdere leven lang met zich mee. Gods stralende licht, als een mantel om je heengeslagen. Na zijn dood werd het briefje op zijn lichaam gevonden. Een boodschap van levensbelang. Pascal kon er mee leven en sterven.

‘Zeg eens, herder? Was het liefelijk licht dat jou aanstootte in die nacht? Je angst verdween als sneeuw voor de zon, toen de engel sprak: ‘Wees maar niet bang’. Voor het hemels licht hoef je niet bang te zijn. Dat maakte die engel jou duidelijk. Is dat het goede nieuws, dat jullie hoorden, maar ook voelden?’.

‘Ach’, zou de herder ons zeggen, ‘Ik weet niet of het jullie verder helpt als ik jullie vertel wat wij herders hebben meegemaakt in de kerstnacht. Het was onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk. Ik kan het niet beter omschrijven dan Lucas in het evangelie heeft gedaan. Wat helpt het je verder, als ik vertel dat die engel er uitzag als een gewoon mens? Of dat hij blinkend straalde? Je moet me toch op mijn woord geloven dat we dat stralende licht van de HEER gezien, maar vooral ook gevoeld hebben. Het stralend licht van God omstraalde ons. We voelden ons wonderlijk bevoorrecht. Gods hemels licht vulde niet de heilige tempel. Het zette niet priesters in het zonnetje. Het zette óns in de schijnwerpers. We voelden ons op dat moment uitverkoren. Kinderen van God. Kinderen van het Licht. Sindsdien draag ik Gods licht met me mee in mijn hart. Niemand kan het mij meer afpakken.

Ik hoop, dat jij dat ook voelt. Dat jij ook iets van Gods stralende licht mag ervaren in je leven. Misschien niet op de manier waarop herders het gezien hebben – zo bijzonder. Gods licht straalt namelijk ook door gewone dingen heen. Door mensen vooral. Mensen die voor jou iets van God met zich meebrengen. Dát zijn ook engelen. Met gewone kleren aan en zonder vleugels. Engelen hebben geen vleugels nodig. Ze brengen je iets van God. Ze brengen je vooral de boodschap van God over. Het evangelie van Jezus Christus. Ze wijzen je als het goed is de weg naar het Kind in doeken gewikkeld in de voerderbak. Dat gewone, arme kind is de Christus, de HEER, de Redder, Gods Zoon. In Hem zien wij Gods stralende licht. In Hem blinkt Gods heerlijkheid. Wat kunnen we dus beter doen dan wat dat hemelse engelenleger deed. Zingen tot ere van God. Gods heerlijkheid loven. Gods glorie in de hemel bracht vrede op aarde. Vrede in ons hart.