Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Engelen

 Overdenking in de Kerstnacht

 

24 december 2020

 

 


“Opeens stond er een engel van de HEER bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de HEER, zodat ze hevig schrokken” (Lucas 2:9)  

Het zal je maar gebeuren. Midden in de nacht. Donker, Duister. Geen zon, geen maan, geen ster. Plotseling: Licht! Een engel verschijnt in stralend licht. Verrassend. Verbijsterend. Schrik, grote schrik…

Ik zou die herder wel eens willen spreken. Eén van de herders van Bethlehem die ‘de engel’ en ‘het hemelse engelenleger’ hebben gezien. Die engel van de HEER met het engelenkoor. Ik zou die herder willen vragen: kan jij misschien omschrijven hoe die engel eruit zag? Had hij inderdaad witte kleren aan? Had hij vleugels? En wat was dat stralende licht van de HEER? Die ‘heerlijkheid’, die glorie? Kwam dat rechtstreeks uit de hemel vandaan? Als een spotlight gericht op het podium? Of was de engel de lichtbron? Brandde hij voor jullie ogen als een kaarsje in de nacht… Als een lampje, dat aangaat als je de stekker in het stopcontact steekt.

Ja, zo stel ik me dat wel voor, in mijn onwetendheid. De HERE God woont in de hemel als een bron van licht en vuur. Een krachtbron van onmetelijke hoogspanning. Bron van licht en leven, maar ook levensgevaarlijk. Ontoegankelijk vuur. Verblindend licht. God als de Ondragelijke spanning, die zich zo maar kan ontladen. Berg je dan maar… voor Gods stralende licht, voor Gods heerlijkheid. Wij stervelingen zijn niet bestand tegen zoveel licht.

In de Bijbel kom het voor, dat de HEER Zijn heerlijkheid laat zien. Niet zijn volle heerlijkheid, niet het volle licht van Zijn aangezicht, maar mondjesmaat. Gebroken licht. Zoals de zon door gebrandschilderd glas kan schijnen. Als hoogspanning die zich verdeelt, zich transformeert in kleine stroompjes. Zwakstroom. Duizenden lichtjes kan God zo laten branden. Miljoenen vlammetjes in ieders leven. Zo is de aarde vol van Zijn heerlijkheid. Zo wemelt het van Gods levenslichtjes. Je kunt ze ‘engeltjes’ noemen.

Maar soms schiet een felle bliksemschicht uit de hemel en slaat op aarde in. De Ontzagwekkende laat Zich zien. Laaiend vuur. Gods glorie, Gods heerlijkheid, Gods stralende licht.

‘Zeg eens, herder? Wat heb jij gezien? Heb jij toen daar iets van God gezien? Iets van Gods heerlijkheid? Daar in het veld van Efratha? Was het de hemelse HEER Zelf in volle glorie? Werd jij wakker gemaakt door een lichtflits van Boven? Hoe voelde dat herder? Je schrok. Dat zou ik ook gedaan hebben. Maar je schrik verdween. Was dat wat je voelde en wat je zag afschrikwekkend? Of was het toch ‘zo vriendelijk en veilig als het licht, als een mantel om je heen geslagen?’. Was het voor jou misschien zo iets als de Godservaring van Pascal?

Blaise Pascal was een geniale 17eeuwse Franse geleerde. Naast zeer geleerd was hij ook diep gelovig. Dat kwam door een bijzondere ervaring. Een Godservaring. Zijn ‘bekering’ zou je kunnen zeggen. Pascal mocht iets beleven van Gods glorie, Gods heerlijkheid zien. Hij kon nog precies aangeven wanneer het plaats vond. Midden in de nacht. ‘Maandag 23 november 1654 tussen half 11 ’s avonds en half één ’s nachts’, schrijft hij. Pascal schreef het onbeschrijfelijke met horten en stoten op een klein stukje papier: ‘God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob. Niet van filosofen, niet van geleerden. Zekerheid. Zekerheid. Gevoel, Vreugde, Vrede, God van Jezus Christus. Uw God is mijn God. Mijn God is uw God, Vreugde, vreugde, vreugde. Tranen van vreugde. Eeuwige vreugde na een dag van aardse beproeving’.

Hij naaide het briefje vast in de voering van zijn jas. Hij droeg het zijn verdere leven lang met zich mee. Gods stralende licht, als een mantel om je heengeslagen. Na zijn dood werd het briefje op zijn lichaam gevonden. Een boodschap van levensbelang. Pascal kon er mee leven en sterven.

‘Zeg eens, herder? Wat was het dat je aanstootte in die nacht? Jullie angst verdween als sneeuw voor de zon, toen de engel sprak: ‘Wees maar niet bang’. Hoefde jij voor het hemels licht niet bang te zijn?’

‘Ach’, zou de herder ons zeggen, ‘Ik weet niet of het jullie verder helpt als ik jullie vertel wat wij herders hebben meegemaakt in de kerstnacht. Het was onuitsprekelijk en onbeschrijfelijk. Je moet me maar op mijn woord geloven. We hebben het stralende licht van de HEER gezien. Het stralend licht van God omstraalde ons. We voelden ons wonderlijk bevoorrecht. Het zette óns in de schijnwerpers. We voelden ons op dat moment het middelpunt van Gods belangstelling. Kinderen van God. Kinderen van het Licht. Sindsdien draag ik Gods licht mee in mijn hart. Niemand kan het meer afpakken’.  

Ik hoop, dat jij dat ook voelt. Dat jij ook iets van Gods stralende licht mag zien in je leven. Een engel, een engeltje, een lichtje in de nacht. Heel bijzonder of heel gewoon. Gods licht straalt namelijk ook door gewone dingen heen. Door gewone mensen vooral. Mensen die voor jou iets van God met zich meebrengen. Dát zijn ook engelen. Zonder vleugels. Engelen hebben geen vleugels nodig. Ze brengen je iets van God. Ze brengen je vooral de Gods boodschap over. Het evangelie van Jezus Christus. Ze wijzen je de weg naar het Kind in doeken gewikkeld in de voederbak. Dat gewone, arme kind is Christus, de HEER, de Redder, Gods Zoon. In Hem zien wij Gods stralende licht. Door Hem weten we dat de God van de hemelse legermachten niet tegen ons, maar vóór ons is.

 


“U hoort me als ik roep, U bent mijn morgenlied.

 

Al vult duisternis mijn hart, het kan het licht niet doven.
Voor wie zou ik bang zijn, God van de hemelse machten?’