Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 

EEN MESSIAANSE OASE


Kerkdienst op 6 oktober 2019
(Israëlzondag)

Kerkomroep: De Regenboog Nijverdal

6 oktober

 

Lezingen: 1 Samuel 24 en Romeinen 9:1-6a

 

Een Messiaanse Oase...

 

“Davids mannen zeiden tegen hem: ‘Dit is je kans! Dit is het moment waar de HEER op doelde toen hij zei: “Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt.”’ David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af” (1 Samuel 24:5)

 

 

“Mag ik haar een knuffel geven? Alstublieft?”. Een klein item uit het journaal van afgelopen week heeft op mij diepe indruk gemaakt. Misschien heb je het ook gezien. Tussen al het ‘grote’ wereldnieuws, waar je meestal niet vrolijk van wordt. De nieuwslezer kondigde het aan als iets bijzonders. Het speelt zich af in een Amerikaanse rechtbank. De verdachte is een jonge vrouw, een politieagente. Zij staat terecht omdat zij een zwarte man heeft doodgeschoten. Wanhopig en geschokt vertelt ze de rechter dat het een vergissing was. Ze heeft de man aangezien voor een inbreker. Ze had beter moeten opletten. Ze had niet direct moeten schieten. Het was een gruwelijke fout. De rechter veroordeelt haar tot een voor Amerikaanse begrippen lage gevangenisstraf van tien jaar. Aan het eind van de zitting mag de jongere broer van het omgekomen slachtoffer ook nog iets zeggen. Hij vertelt over zijn geloof in God. Hij zegt tegen de veroordeelde vrouw, dat er bij God altijd vergeving is als je berouw toont. Hij zegt ook, aarzelend, hortend en stotend, dat hij de vrouw vergeeft. Dat hij haar het beste toewenst. Dan vraagt hij toestemming om de knuffel te geven. ‘Please, can I give her a hug?’. De rechter staat het hem toe. De zwarte jonge en de blanke politieagente vallen elkaar huilend in de armen.

Je kunt over dat stukje op TV heel verschillend denken. Ik vond het ontroerend mooi. Te midden van alle moord en geweld, wraakzucht en vergelding, in een harde wereld, een kille maatschappij, juist ook in Amerika, iets van warmte, iets van licht.

Je kunt het vergelijken met een oase in de woestijn. Zo iets als Engedi. Een prachtig stukje natuur gelegen tussen de woestijn van Judea en de Dode Zee. Tussen de droogte en de hitte, een weldadig stukje ‘paradijs op aarde’. Leven in de dood. Met een bron, een waterval en een fris klaterend beekje. Weelderige plantengroei, dartelende steenbokken en klipdassen.

Juist op deze plek vindt de wonderlijke ontmoeting plaats tussen koning Saul en zijn onderdaan David. Allebei zijn ze ‘messiaanse’ figuren. Het woord ‘messias’ betekent – zoals je misschien weet – ‘gezalfde’. Zowel Saul als David zijn ‘gezalfd’. De profeet Samuel heeft in het verre verleden Saul ‘gezalfd’. Saul is in naam van God tot koning aangesteld. De zalfolie symboliseert Gods opdracht en Gods kracht.  Saul is ‘koning bij de gratie Gods’. Koning-zijn is zijn goddelijke roeping. Het volk Israël heeft Saul daarna als door God gezonden koning erkend. Zijn koningschap begon veelbelovend, maar – helaas – het is met Saul bergafwaarts gegaan. Hij gaat eigen wegen. Hij dwaalt bij zijn hemelse HEER en Koning vandaan. Daarom is de profeet Samuel opnieuw op pad gegaan. Hij heeft een nieuwe toekomstige koning gezalfd. Op Gods bevel wordt David de gezalfde, de Messias, de koning ‘in spe’. In het geheim gezalfd, maar het kan niet verborgen blijven. Zeker na de spectaculaire overwinning van kleine David op reus Goliath. Davids ster is rijzende. Als Saul er lucht van krijgt, jaagt hij David op als een prooi.

Uitgerekend in de oase, die Engedi heet, komt het tot een climax. Het boek Samuel is zoals veel Bijbelboeken een boek vol moord en doodslag, geweld, haat, jaloezie… noem het allemaal maar op. Er worden heel wat schuldigen én onschuldigen over de kling gejaagd. Ook onze twee ‘Messiassen’, Saul en David, houden hun handen niet schoon. Maar hier gaat het plotseling anders.

Saul is David op het spoor gekomen. Saul ruikt bij wijze van spreken Davids bloed. Hij is in zijn zoektocht al heel dichtbij. Hij is heel warm. Hoe warm weet hij niet, als hij ergens bij de Steenbokrotsen plotseling iets kwijt moet. Hij moet zijn behoefte doen. Koning, keizer, admiraal – dat moeten we op zijn tijd allemaal. Een Messias is ook maar een mens. In de wildernis van de onbewoonde wereld zoek je een boom voor je plasje of een afgezonderd plekje, als je nog meer kwijt moet. Ergens in een grot, in een spelonk, hurkt Saul neer. ‘Hij bedekt zijn voeten’, staat er letterlijk in het Hebreeuws. Dat zie je voor je. Je gaat op je knieën zitten, trekt je oosterse mantel aan de achterkant omhoog. Je laat het kleed van voren op je voeten vallen. Zo ‘bedek je je voeten’. Maar Saul weet niet, hoe heet het is onder zijn voeten. Achterin de grot zitten David en zijn mannen. Heel ‘toevallig’. Op de juiste tijd, op de juiste plaats. Dit is de kans, dit is ‘de dag’. De mannen van David weten direct hoe het zit. ‘Dit kan geen toeval zijn!’, fluisteren ze. Hun religieuze gevoel borrelt op. ‘Het moet zo wezen. Het winnende lot uit de loterij. Dit moet wel ‘van God gegeven’ zijn. Grijp je kans, David, grijp toch de kans door God je gegeven. Nu moet boontje om zijn loontje komen. Nu is de wraak zoet. Het moment van vergelding is gekomen. Je kunt je zijn ambities waar maken en de macht grijpen. ‘God wil het zo…. Toch?’.

Het zou helemaal in de lijn van het verhaal passen, als David nu zijn zwaard door de rug van Saul boort. Dat zal zijn verdiende loon zijn. Het zal bovendien Gods plan in één klap uit doen komen. David – Messias.

Maar nee dus. David gebruikt zijn vlijmscherpe zwaard voor andere doeleinden. Hij gebruikt zijn zwaard als een snoeimes. Oorlogstuig voor vredelievende doeleinden. Hij snijdt een stukje van Sauls mantel af. Een reepje stof van het uiteinde. Van de ‘vleugel’ van zijn kleed. En dan moet je weten dat een mantel, een jas, voor een oosterling meer is dan een stukje stof. ‘Kleren maken de man’, zegt ons spreekwoord. Dat geldt zeker toen en daar. Het is niet zo maar niets, als je kleed kapot is. Dan ben je zelf gehavend. Je bent iets kwijt van je waardigheid. Als David een stukje van Sauls kleed afsnijdt, wordt eigenlijk een stukje van zijn koninklijke waardigheid bij hem weggehaald. Het is een waarschuwend teken van zijn aanstaande onttroning als koning van Israël.

Maar er zit nog iets in die handeling van David. Joden kennen tot op de dag van vandaag het gebedskleed. Aan de uiteinden, de ‘vleugels’ van dat kleed zitten de schouwdraden. Die draden symboliseren alle geboden van de Eeuwige. De 613 ge- en verboden die in de Thora staan. Samen gevat in die tien belangrijkste, de tien geboden. ‘Gij zult niet stelen, niet doden’. Deze tien weer verder toegespitst in de belangrijkste twee: God liefhebben boven alles en je naaste als je zelf. Als David het uiteinde van Sauls mantel snijdt, grijpt hij zich vast aan deze twee geboden. Hij heeft de HEER zijn God lief boven alles. Hij heeft dus eerbied voor Gods ‘zalving’. De HEER heeft Saul gezalfd? Dus zal David hem niet doden. Dan zou David God ongehoorzaam zijn en dus niet ‘liefhebben’. Bovendien heeft David op dat moment zijn naaste lief als zichzelf. Hij schenkt Saul die weerloos voor hem zit het leven. Hij heeft eerbied voor het leven. Zelfs het leven van zijn vijand. David gunt zijn vijand het leven. Saul krijgt van hem de kans op omkeer, een nieuw begin. Hij biedt zijn rivaal genade, vergeving aan.

Zo weerspiegelt hier David zijn opdrachtgever. De HEER, die genadig en barmhartig, vergevingsgezind is. De HEER, God van liefde.

Er valt op dat moment in die donkere spelonk een lichtstraal naar binnen. Er ontstaat in die grot een oase van liefde in de woestijn. Een messiaanse oase. Even proeven we iets van de Gezalfde, zoals de HERE God hem bedoelt. De Messias als ‘man van ‘barmhartigheid’. De mens, in wie Gods liefde belichaamd is.

Vandaag op deze zondag vieren we onze verbondenheid met Israël. We zijn het Joodse volk Israël dankbaar voor alles wat we ontvangen hebben. In de Romeinenbrief somt Paulus dat op. Wij danken aan de Joden ‘Gods nabijheid, de verbonden, de wet, de tempeldienst en de beloften’, schrijft hij. Zonder Israël zouden we Gods geboden missen. Zonder het volk met Abraham begonnen, zou de wereld één grote woestijn worden. Een jungle, waarin het ‘ieder voor zich’ zou zijn. Een oerwoud, waar ‘het recht van de sterkste’ zou gelden. Door Israël gaf God ons zijn Wet. Door het Joodse volk kennen wij de opdracht om elkaar lief te hebben. Om elkaar te vergeven. Om zelfs, als het kan, je vijanden lief te hebben. Verbonden met Gods volk mogen we in de woestijn messiaanse oases maken, waar het water uit Gods bron de wereld instroomt.

Wat wij aan Israël vooral ook te danken hebben, is dé Messias. De ‘Christus’ (in het Grieks). De zoon van Abraham, de Zoon van David, de Zoon van Maria is onze Messias. Wat we even zien in die oase van Engedi, in die vredelievende daad van David, zien wij belichaamd in Jezus, onze Messias. Jezus Messias bracht Gods liefde zó in praktijk, dat Hij voor ons de dood inging. Hij leefde in de liefde, Hij stierf uit liefde.

Paulus is er diep verdrietig onder, dat zoveel van zijn Joodse volksgenoten dát niet inzien. Ze hebben Jezus niet als Messias aanvaard.

Wij, die 2000 jaar later leven, moeten ons diep schamen, dat we niet genoeg ‘messiaans’ geleefd hebben. Dat we zo vaak niet de liefde van de Messias hebben laten zien. Zeker niet aan de Joden!

Wat ons, Joden en christenen, bindt is de belofte, die God nooit gebroken heeft en nooit breken zal. Eenmaal komt de Messias. Dan zal het slachtoffer de dader omhelzen. Dan zullen vijanden elkaar vergeven. Dan zal de HEER ons in de armen sluiten. De hele aarde wordt één grote oase.