Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 

De steen van de Helper

 Kerkdienst voor 31 december 2019

Kerkomroep: Het Centrum Nijverdal
31 december 2019, 18.30 uur  

Lezingen: 1 Samuël 7:2-13 en Hebreeën 4:14-16

‘Na afloop plaatste Samuel tussen Mispa en Sen een steen en noemde die Eben-Haëzer. ‘Want,’ verklaarde hij, ‘tot hier toe heeft de HEER ons geholpen.’ (1 Samuel 7:12)

Voor de verandering had ik u vanavond een opdracht willen geven. Ik had je even aan het werk en iets langer aan het denken willen zetten. Een kleine opdracht aan het einde van het jaar. Helaas bedacht ik dat te laat. Ik had geen tijd meer om de spullen voor dit karweitje te kopen: een zak met stenen. Liefst witte stenen. Niet al te klein. Mooie gladde. Ik heb nog even gezocht in onze tuin. Maar ik vond helaas niets anders dan een mooie, redelijk witte, gladde maar té kleine steen. We zullen het dus vanavond bij een denkbeeldige steen en een denkbeeldige opdracht moeten houden.

Het gaat vanavond over een steen. Een steen die Samuel plaatst tussen Mispa en Sen. We vliegen in gedachten pakweg 3000 jaar terug in de tijd. De tijd nadat het volk Israël uit Egypte is bevrijd. Ze hebben 40 jaar door de woestijn getrokken. Ze wonen nu in het beloofde land, in Kanaän. Maar in Israël is nog geen koning. De steen waar we het vanavond over hebben komt uit de ‘Richterentijd’. Het einde van de richterentijd. ‘Richteren’.

Rechters heten ze in de Nieuwe Bijbelvertaling. Ze zijn de beroemde Bijbelse helden. Bekend uit de spannende kinderbijbelverhalen. Simson, Gideon, Jefta – om er een paar te noemen. Zij zijn de leiders in Israël, als er nog geen koning is. Anders dan koningen worden ze rechtstreeks door God gekozen. Als het nodig is. Als er nood aan de man is. Door de Geest van God geïnspireerd komen zij dan tot grootse daden. Reddingsdaden. Ze bewijzen zich als echte bevrijders.

De laatste van deze ‘Rechters’ zien we vandaag bezig om een steen te plaatsen. Het is Samuël. Samuël valt wat uit de toon in het rijtje rechters. Hij komt ook niet voor in het Bijbelboek Richteren. Zijn verhalen staan in de naar hém genoemde boeken: 1 en 2 Samuël. Samuël is anders. Hij is geen vechtersbaas of legeraanvoerder. Hij heeft geen militaire maar een godsdienstige opleiding gehad. Als kleine jongen is hij door zijn moeder naar de priester Eli in Silo gebracht. Als hulpje voor het heiligdom daar. Hij blijkt bij het opgroeien vooral de gave van het woord te hebben. Samuel is man van het Woord. Van het Woord van God. Samuel kan preken. Hij verkondigt het Woord van God als een profeet. Hij doet wat ík hier sta te doen. Hij doet wat er van de kerk verwacht wordt: strijden met geen ander wapen dan het zwaard van het woord. Samuël roept de mensen op om God te dienen. Hij doet het inmiddels al 20 jaar lang.

Zo ongeveer sinds de dag van de grote nederlaag. Twintig jaar geleden gebeurde er in Israël zo iets als ‘9/11’ of ‘bloody Sunday’. De Filistijnse vijand behaalde een verpletterende overwinning op het leger van Israël. 34.000 soldaten zijn gesneuveld. Tot overmaat van ramp werd de Ark van het verbond buitgemaakt. Die Ark is inmiddels op wonderbaarlijke wijze teruggekomen. Verder is er in die twintig jaar niet veel veranderd. De Filistijnen zijn al die jaren oppermachtig. Vrijheid is ver te zoeken. Maar wat Samuel vooral zorgen baart is het feit dat zijn volk niet naar hem luistert. Dat het zijn woorden, Gods woorden, al 20 jaar in de wind slaat. Ze zoeken hun hulp bij het verkeerde adres. Bij de afgoden. Ze vertrouwen niet meer op God. Ze zoeken hun hulp niet bij de HEER. Samuel voelt zich geroepen om daartegen te strijden. Maar hij heeft geen wapen dan het wapen van zijn mond. Al twintig jaar lang lijken zijn woorden vruchteloos. Maar eindelijk, na 20 jaar, draagt zijn verkondiging vrucht. De mensen komen weer. Naar het heiligdom van de HEER. Naar de kerk zullen we maar zeggen. ‘Nood leert’ - na heel lang dan toch – ‘bidden’. Er wordt weer gebeden. Mensen storten hun hart uit voor de HEER. Samuels geduld wordt beloond, als het volk weer steun gaat zoeken bij de HEER.

Dan roept hij de vertegenwoordigers van het volk bijeen in het stadje Mispa. Daar belijden ze met elkaar hun schuld. Ze keren zich af van afgoden. Ze wijden zich toe aan de HEER. Daar zoeken zij hun redding, hun hulp. Verlossing van de bezetters. Een einde aan de Filistijnse tirannie. En wat ze vragen, krijgen ze. Ze verslaan de vijand. Of beter gezegd: God Zelf verslaat de vijand. Aan een wonderbaarlijke overwinning komt geen wapen te pas.

Dan zijn we aanbeland bij de steen. We zien Samuel met een grote steen in zijn handen. De steen is een illustratie bij zijn woorden. Hij maakt met deze steen zichtbaar wat hij zegt. Samuel geeft de steen een naam: Eben Haëzer noemt hij de steen. ‘Eben’ is het Hebreeuwse woord voor steen. ‘Haezer’ betekent ‘de hulp’ of ‘de Helper’. Eben Haëzer is dus: ‘Steen van de hulp’ of ‘steen van de helper’.

Deze ‘steen van de hulp’ zet Samuël neer op een bepaalde plaats. En dan komen we dichterbij onze eigen leefwereld. Dat kennen wij ook. Stenen zetten op bepaalde plaatsen. Monumenten. Zoals hier, niet ver hier vandaan, op de binnenplaats van het gemeentehuis. Daar staat het monument, de steen die de slachtoffers gedenkt van het bombardement op Nijverdal in maart 1945. Straks óók 75 jaar geleden. Zo zijn er heel veel gedenkstenen op bepaalde gedenkplaatsen. Niet in het minst natuurlijk onze grafstenen. Je denkt nu misschien aan die grafsteen op het graf of bij de urn van een geliefde. Zorgvuldig dáár neergezet. Ter nagedachtenis. Vandaag, aan het einde van een jaar denk je daar toch zeker aan. Weer een jaar voorbij. Weer een jaar later dan het jaartal op de gedenksteen. Weer een jaar verder af van het moment van afscheid. Het gemis in koele cijfers uitgedrukt. Het gat dat niet kleiner, maar juist groter wordt. De tijd schrijdt voort, maar schrijnend blijft het. 

Een bepaalde steen op een bepaalde plaats zetten. Dat doet Samuel met zijn ‘Eben haëzer’, ‘de steen der hulpe’. Hij kiest een plekje uit, zo lezen we, tussen Mispa en Sen. Dat zijn twee plaatsen die we hoogst waarschijnlijk moeten zoeken enkele kilometers ten Noorden van Jeruzalem. ‘Mispa’ betekent letterlijk ‘wachtpost’ of ‘Uitkijk’. Net zoals we hier vlakbij een restaurant hebben dat ‘De Uitkijk’ heet. Prachtig gelegen op de flank van de Hellendoornse berg. Uitzicht heb je in Mispa ook: een stadje op een berg. Als je dan uitkijkt over de omgeving zie je niet ver daarvandaan een rots boven de horizon uitsteken. Die rots heeft de vorm van een tand. Daar dankt hij zijn naam aan. ‘Sen’ of Sjen’ betekent ‘tand’. In het gebied tussen ‘Uitkijk’ en ‘Rotstand’ zet Samuel zijn steen neer. Een gedenksteen, maar geen monument voor gevallenen. Geen grafsteen. Geen steen ter nagedachtenis. Deze steen gedenkt de blijde gebeurtenis. Het is een herinnering aan die wonderbaarlijke bevrijding. Als een kind langs deze steen komt, vertelt vader aan dochter of grootmoeder aan kleinzoon het verhaal van de overwinning op de Filistijnen. ‘Het was zó wonderlijk. Zó bijzonder. De Filistijnen staan op het punt om onze stad Mispa aan te vallen. Precies op dat moment barst er een hevig noodweer los. De vijanden raken volledig in paniek en vluchten weg. Doodsbang zijn ze. Doodsbang voor de donder. Het was alsof de HEER, onze God sprak. Het was echt zo’n overwinning in de geest van richter Samuël. Een overwinning van Gods Woord. Toen de vijand aanviel, sprak de HEER vanuit de hemel’.

Dat verhaal vertelt deze ‘steen van de hulp’. Het markeert een moment uit Israëls geschiedenis. ‘Op deze plek is gebleken dat onze hulp komt van de HEER. Toen hebben we echt ervaren, dat God ons geholpen heeft. Hij heeft ons bevrijd. Wij riepen de HEER om hulp – en Hij heeft geantwoord’.

Nu vraag ik jou vanavond om jouw denkbeeldige steen te nemen. Schrijf er op: ‘steen van de hulp’. Denk dan eens even rustig na. Beantwoord voor jezelf de vraag: waar kun jij je ‘hulpsteen’ neerzetten? Hoe of wanneer heb jij hulp gekregen? Hoe heb jij gemerkt dat je geholpen werd? In het afgelopen jaar 2019 of verder terug in je herinnering. Bedenk eens hoe, waar, wanneer de HEER JOU ‘geholpen’ heeft. Kun je een dag noemen uit het afgelopen jaar, dat je je echt door Hem gezegend voelde? Een moment dat je echt doordrongen was van het wonder van het leven? Een fijne verjaardag, waarop je kon vieren weer een jaar ouder te zijn geworden. Een mooie trouwdag of een jubileum, waarop je kon terugkijken op zoveel jaren samen lief en leed delen. Een dag waarop je vader of moeder of misschien wel opa of oma mocht worden. Misschien ook wel de dag dat je te horen kreeg dat je van een ernstige ziekte genezen werd verklaard. Of dat er hoop voor je is, omdat er een goede behandeling, een goede therapie voor jouw ziekte bestaat. Wellicht ook was het een moment dat je in diep verdriet was. En toch merkte je even dat God bij je was. Juist in de diepe duisternis zag je Zijn licht stralen. Je werd opgebeurd door het zingen van een lied of gedicht. Je werd helemaal warm van binnen tijdens een mooie kerkdienst. Of juist op het goede moment kwam er iemand naar je toe. Met een luisterend oor of een arm om je schokkende schouder. Denk maar even na. Graaf maar even in je herinnering. Waar zou je mijn ‘steen van de hulp’ neerzetten? Wat is mijn ‘Eben Haëzer’ moment van 2019?

Als Samuël de steen plechtig neerlegt, spreekt hij er een paar woorden bij. Een hele korte preek van één zin om de steen in te wijden. ‘Tot hiertoe heeft ons de HEER geholpen’. Dat is niet alléén een dankbetuiging. Het is ook een oproep. ‘Tot hiertoe’ – op deze plek staan we even stil. Op dit moment. Maar we gaan straks weer verder. Laat deze steen dan niet alleen een mooie herinnering blijven. Laat de steen ook een wijze les zijn. Dat je je hulp voortaan zoekt, waar die hulp te vinden is. Bij de HEER alleen.

Zo zijn wij vanavond bij elkaar. In gedachten kijken we naar de steen ‘Eben Haëzer’. ‘Steen van de hulp’. In dankbare verwondering: De HEER heeft ons geholpen. Telkens weer – tot op de dag van vandaag. Maar die steen roept ook ons op voor het nieuwe jaar: laten wij Zijn hulp blijven zoeken. Hulp, echte goede hulp komt van de HEER in de hemel. Uit Zijn hemels heiligdom, waar Jezus de hogepriester is, die voor ons bidt. Zo beschrijft de Hebreeënbrief het. ‘Laten we zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige. Telkens als we hulp nodig hebben zullen we barmhartigheid en genade vinden’. Onze ‘steen van de hulp’ kunnen we ergens neerzetten. We mogen die steen ook meenemen. De grens van oud en nieuw over. Om nooit te vergeten, dat God trouw is. Dat Hij altijd dezelfde blijft. Altijd bereid om ons te hulp te komen. Daar kunnen we iedere morgen, elke nieuwe dag, ook in het nieuwe jaar op vertrouwen.