Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

"De vrouw, de draak en het Kind"
Avonddienst 19 mei 2019

Schriftlezingen: Psalm 2 en Openbaring 12:1-6

“Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken…” (Openbaring 12:1)

‘Denk niet zwart, denk niet wit, denk niet zwart – wit, maar de kleur van je hart’. Deze regels uit het bekende liedje komen vaak bij mij op als ik het laatste Bijbelboek lees. De visioenen van Johannes op het eiland Patmos lijken op het eerste gezicht niet erg genuanceerd. Het lijkt zwart of wit. Het is nacht of dag, totaal kwaad of helemaal goed. Er lijkt geen ruimte voor grijs, voor schaduw, voor een gulden middenweg. Er moet radicaal gekozen worden. Zonder mitsen, maren of slappe compromissen. Goed en kwaad staan lijnrecht tegenover elkaar.

Zo ook in het gedeelte dat we vanavond met elkaar gelezen hebben. Over de vrouw, de draak en het kind. Aan de ene kant, de goede kant, staat de vrouw met haar kind. Aan de andere kant is er een grote vuurrode draak. Een ‘good girl’ en een ‘bad guy’. Lijnrecht tegenover elkaar. Het lijken figuren, die uit een sprookje zijn ontsnapt. Uit een Fantasygame of een sciencefictionfilm. Dungeons and dragons. Game of Thrones. De zoveelste Harry Potter, waarin plotseling een vuurrode zevenkoppige draak op het toneel verschijnt. Of een dramatische scène uit Lord of the Rings: een hoogzwangere vrouw brengt haar kind ter wereld. Een bloeddorstig monster staat plotseling voor haar neus. De moeder probeert haar pasgeboren baby te beschermen. Dat zijn moderne varianten op een thema dat de eeuwen door telkens weer opduikt. In oude geschriften en boeken. Op afbeeldingen en schilderijen: De strijd tussen goed en kwaad, tussen Goden en duivels. De eerste lezers van de Openbaring leefden in de heidense omgeving. Ook toen en daar waren er veel verhalen van goden en godinnen, draken en godenzonen. Zulke verhalen zijn van alle tijden.

Het is in dit gedeelte van de Openbaring niet zo moeilijk om te ontdekken waar die vrouw, die draak en dat kind voor staan. Waar zij symbool voor zijn. Om bij het kind te beginnen: daarmee kan niemand anders bedoeld worden dan Jezus Zelf. Zijn aardse leven wordt heel kort en bondig samengevat met het begin en het einde ervan. Zijn geboorte wordt vermeld en Zijn wegvoering naar God. Het leven van Jezus, zoals dat zich afspeelt tussen kerst en Hemelvaartsdag. Om met de apostolische geloofsbelijdenis te spreken: Hij is geboren uit de Maagd Maria. Hij is opgevaren ten hemel. Hij zit ter rechterhand Gods. Dat wordt nader omschreven met woorden uit Psalm 2. Over de koning die in Gods Naam aangesteld wordt. Hij leidt als een goede Herder zijn volk. Hij bestrijdt met een ijzeren staf de vijand. Hij verdrijft zo de tirannie. Dat is het Kind. De door God gezalfde Koning, de Messias, die heersen zal.

En als je dan weet wie het kind is, is het ook niet moeilijk om te raden, wie die vrouw is. Dat is dan de Moeder van Jezus. Moeder Maria – als je het strikt bekijkt. Maar in zo’n visioen staat deze moeder Maria natuurlijk model voor heel haar volk. In de Bijbel wordt het volk Israël regelmatig vergeleken met de Bruid van God. Die vrouw staat voor het gehele volk van God. Of zelfs uiteindelijk voor de gehele Mensheid. Ooit begonnen bij ons aller moeder: Eva, de moeder van alle levenden. Deze Oermoeder, dit oermens wordt ons eerst getekend met alle glans en glorie. Als koningin aan de hemel. Als kroon van de Schepping. Alles wat de Schepper ooit geschapen heeft, staat haar ten dienste. De zon valt als een mantel om haar heen en zet haar in de schijnwerpers. De maan dient haar tot voetenbank. Twaalf sterren sieren haar hoofd als een stralenkrans om haar nek. Twaalf is het getal van Gods Volk. Deze vrouw is Gods prachtige meesterwerk. Het hoogtepunt van de Schepping. Geschapen om Gods eer en glorie uit te stralen op de aarde. Als bijna goddelijk geschapen wezen. Toegerust voor de schone taak om het leven door te geven. Om de aarde te vullen met de zoete klank van babygeluiden. Van vrolijk kindergebrabbel. Het leven moet doorgaan en de vrouw, de moeder, is de hoedster van het goede leven.

Maar ook de andere kant komt om de hoek kijken bij deze vrouw. Het zwart – wit schema wordt verrassend genoeg al snel doorbroken. Deze koninklijke vrouw is zwanger en schreeuwt het uit in barensnood. Na de glorie van Eva volgt de schande van Adam en Eva. Het oordeel na de zondeval: ‘Met smart zul je kinderen baren…’. De zwangerschap als een doem, een zware last. Kinderen baren als een moeizaam zwoegen. Het leven vloeit niet zo maar. Het moet zich baan breken. Tegen de verdrukking in.

En de slang ligt op de loer… Ja, dat is numero drie uit dit raadseltje. Het Kind is Jezus Christus. De vrouw staat voor de mensheid van Adam en Eva. Voor het volk van God met de 12 stammen. En de draak is de grote tegenstander – de satan. Even verderop in hoofdstuk 12 wordt dat nog even met zoveel woorden gezegd: de draak is de slang die het paradijs verprutst heeft. Het is de duivel. Gods aartsvijand die Gods schepping tracht te vernietigen. Die het leven bedreigt. De kwade macht die dood en verderf zaait. In het visioen sleept de draak met zijn staart een derde van alle sterren van de hemel. Hij smijt ze op de aarde. Chaos! Als de vrouw haar zoon moet baren, ligt hij voor haar op de loer. Vernietiging! Haar kind mag er niet zijn. De dood moet het leven verslinden. De Messias moet uit de weg geruimd worden. Er mag geen redding komen. De aarde moet verloren gaan.

We horen niet alleen de barende vrouw zuchten. We horen met haar heel de aarde smachten en smeken. Duivels geweld barst los. Met orkanen, aardbevingen en bosbranden. Met raketten, bommen en granaten. Wapengekletter en explosies. De geschiedenis door op heel de aarde. Uitbuiting van mens en milieu. Afgang naar de ondergang – daar is het de draak om te doen.  

Misschien begin je nu een beetje de huivering te voelen, die Johannes voelt, als hij dit op Patmos in zijn visioen ziet gebeuren. Johannes: als klein mensje op een klein eilandje in de zee. Verbannen door de Romeinse machthebbers. Gevangen in een klein hokje. Als een speelbal op de golven. Als een zandkorreltje op het strand.

Je vraagt je bang af: ‘Wie ben ik? Wat kan ik doen? Wat stel ik voor bij al dat bruut geweld? Wie bekommert zich nog om mij?’. Dat kan je aanvliegen – juist ook in onze tijd. Zoveel duistere machten om ons heen. Onzichtbaar gaan ze te werk en slaan ze hun slag. Ongrijpbare vijanden die zelfs voor politie en justitie moeilijk te pakken zijn. Ze leven in – wat we noemen - een ‘onderwereld’. Ze hebben hun eigen ‘dark web’ op het Internet. Ze betalen grof geld voor jouw persoonlijke gegevens. Als ze die te pakken hebben kunnen ze je makkelijk manipuleren. Verkiezingen beïnvloeden. ‘Fake news’ de wereld in brengen. Ze kunnen jou hun spullen aansmeren of hun verderfelijke gedachten opdringen. Ze bedreigen niet alleen je bestaan. Ze bedreigen bovenal je integriteit. Ze brengen je op het verkeerde pad. Ze brengen je geloof aan het wankelen. Voor je het weet slepen ze je mee. Je komt zo makkelijk in de verleiding. Ze zien er niet uit als grote vuurrode draken. Was het maar zo duidelijk, zo ‘zwart – wit’… Maar uiteindelijk volgt de Openbaring, de onthulling. Dan blijkt dat rode gevaar er wel degelijk achter te zitten. Hun doel is duivels en satanisch: het leven vernietigen. Het Kind uit de weg ruimen. Mensen bij God weghalen. Ons zo de ondergang tegemoet laten gaan.

En dan de hoop, de hoop van het Kind. Johannes ziet op Patmos de eerste stap van Gods reddingsplan werkelijkheid worden. Het Kind wordt niet gepakt. Het gaat niet dood. Zijn leven wordt niet vernietigd. De draak bereikt zijn doel niet. Hij lijkt een winnaar – hij wordt een ‘loser’. Het kind wordt weggevoerd naar God en naar Gods troon. Daar is het veilig, geborgen bij God. Opgevaren ten hemel, zittende aan de rechterhand van God, de Almachtige Vader. Van waar Hij eenmaal komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Aan Hem, het Kind, is het oordeel toevertrouwd. Aan Hem, het Kind, mogen wij ons leven toevertrouwen.

Het leven is niet altijd zwart – wit. Mensen zijn niet makkelijk in te delen in ‘goed’ en ‘fout’. Zelfs aan de hemelse vrouw, de koningin, kleeft de smet van de zonde. Alleen het Kind is puur, is wit, is vol van Leven. Hij heeft overwonnen. Hij is onze redding. Alleen bij Hem is ons leven veilig. Kiezen voor Hem is dus wat ons te doen staat. Radicaal kiezen voor Koning Jezus. Psalm 2 eindigt met de woorden: ‘Veilig wie schuilen bij Hem’. Hij gaat heen naar Zijn Vader om voor ons plaats te bereiden. Hij is ons licht, ons leven.