Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

De meeste mensen deugen (niet)

KERKDIENST PG NIJVERDAL
(7 maart 2021 Het Centrum Nijverdal)

Te bekijken via Kerkomroep of YouTube

“Jezus liep terug en zag dat zijn leerlingen lagen te slapen. Hij zei tegen Petrus: ‘Simon, slaap je? Kon je niet één uur waken? Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak” (Marcus 14:37-38) 

Het boek ‘De meeste mensen deugen’ is een populaire bestseller. Het won verschillende prijzen in Nederland. Het werd ook vertaald in veel andere talen. Het schijnt dat zelfs in de VS het boek erg goed verkocht wordt. De schrijver, Rutger Bregman, is een domineeszoon. Hij heeft zelf niet zoveel meer met het traditionele geloof. Ik bedoel: het geloof in God. Rutger Bregman gelooft namelijk wél in de mens. In zijn boek schrijft hij een nieuwe geschiedenis van de mensheid. Hij vindt dat er in de loop van de laatste eeuwen in onze westerse wereld veel te negatief over de mens is gedacht. De mens zou een beest zijn, een roofdier, een egoïst, een materialist, die alleen maar aan zichzelf denkt. Soms komt dat aan de oppervlakte bij echte criminelen en schurken of in een vuile oorlog. Meestal zit het verstopt onder een dun laagje beschaving. We lijken dus wel lief en aardig, maar diep van binnen is het anders. De ware aard van het beestje is slecht. De mens is ‘verdorven’. Als domineeszoon heeft Rutger vast en zeker de Heidelberger Catechismus leren kennen. In die catechismus staan vraag en antwoord 8. Vraag: ‘Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?’. Antwoord: ‘Ja wij’. ‘Ja, de mens is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. “Daar klopt niets van”, zegt Rutger in zijn boek. Met een karrevracht aan onderzoeken, experimenten, studies, enquêtes en peilingen komt hij tot de conclusie: de mensheid deugt wél. Nou ja, ietsje voorzichtiger: ‘de meeste mensen deugen’. Het negatieve mensbeeld klopt niet. Het is zelfs gevaarlijk om zo slecht over mensen te denken. Je moet uitgaan van het positieve. Heel praktisch: als je iemand voor het eerst ontmoet, moet je hem of haar vertrouwen schenken. Uitgaan van het goede. Daar kom je verder mee dan met achterdocht.

In de lijdensgeschiedenis van Jezus leren we mensen kennen. De aangrijpende verhalen over het lijden van Christus vertellen ons natuurlijk in de eerste plaats over wie Jezus is. Het brengt ons de blijde boodschap dat God uit liefde Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft om ons te redden. Jezus is tot ons mensen gekomen en gaat voor ons de dood tegemoet. De lijdensweg naar Golgota gaat Jezus onzentwille. Als de Goede Herder geeft Hij zijn leven voor zijn schapen. Als een schaap laat Hij zich naar de slachtbank leiden. Als de Knecht des Heren, waarover Jesaja spreekt, wordt Hij doorboord om onze zonden, gebroken om onze wandaden. Voor ons welzijn wordt Hij getuchtigd, zijn striemen brengen ons genezing. Als je de laatste hoofdstukken van de evangeliën leest, maar ook bijvoorbeeld als je luistert naar de Mattheuspassion van Bach, kan het niet anders of dat dringt diep tot je door. Als je Zijn lijden recht betracht, als je bedenkt wat Hij voor ons heeft over gehad, kun je alleen maar zingen: ‘Duizend, duizendmaal, o HEER, zij U daarvoor dank en eer’.

Dat is de ene kant van het lijdensevangelie. Maar er is nog een andere kant, een keerzijde. Op de Via Dolorosa lopen mensen. Op de lijdensweg, die de evangelisten beschrijven, komen we mensen tegen. Verschillende mensen. Van uiteenlopende komaf. Met uiteenlopende karakters. Met verschillende reacties. Zo zien we hoe mensen zijn. Of ze deugen of niet. Mensen leer je namelijk het beste kennen, als het erop aan komt. In oorlogstijd komt de ware aard van mensen aan het licht. Sommigen blijken dappere verzetsmensen, anderen juist landverraders, weer anderen meelopers. In crisistijd, ook in deze crisistijd, besef je pas goed wie je echt nodig hebt en op wie je echt kunt rekenen. Je beseft de grote waarde van het kleine kringetje dierbaren om je heen. Die ene mens, die paar echte vrienden, waar je op kunt bouwen. In de nood leer je je vrienden kennen. Dat blijkt ook uit het lijdensverhaal. Straks komt Judas het verhaal binnen, die Zijn HEER verraadt met een kus. Straks zien we hoe Pontius Pilatus met een handig trucje zijn handen in onschuld wil wassen. We zien hoe Jezus onder het zware kruis dreigt te bezwijken en dat Hij ‘hulp’ krijgt uit onverwachte hoek. Simon van Cyrene wordt gedwongen het kruis te dragen. Straks zien we de soldaat die bevel krijgt om met een zware hamer Jezus aan het kruis te slaan. Hij doet wat hem is opgedragen. Bevel is bevel. Zo zien we hoe mensen zijn, als het erop aan komt.

Dat zien we ook als het begint in de Hof van Getsemane. Na het laatste Avondmaal gaat Jezus er heen met elf leerlingen. Meteen wordt duidelijk dat ze niet allemaal over één kam geschoren kunnen worden. Sommigen zijn je meer nabij dan anderen. De één staat verder van je af dan de ander. Jezus laat acht leerlingen achter en neemt er drie mee, verder de tuin in. Petrus, Johannes en Jacobus zijn het. Waarom deze drie? Dat is al vaker gebeurt. Bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus en bij de verheerlijking op de berg zijn deze drie erbij. Zijn het Jezus’ favoriete leerlingen? Heeft Jezus zo zijn voorkeur? Of moet Jezus juist deze drie dichtbij zich houden, in het oog houden. Juist deze drie ‘bij de les’ houden en met hun neus op de feiten drukken. Juist van deze drie wordt eerder in het evangelie verteld dat ze zeer toegewijde, diep overtuigde volgelingen zijn. Zij zijn geen twijfelaars, stellen geen vragen. Petrus, Jacobus en Johannes zijn de vissers, die eenmaal zonder praten hun netten hebben verlaten. Ze lieten alles achter om Jezus te volgen. Juist zij kregen van Jezus prachtige bijnamen. Johannes en Jacobus werden door Jezus ‘zonen van de donder’ genoemd. Ze waren blijkbaar vurig, heftig, onverschrokken. Ze hadden – om in het in goed Nederlands te zeggen – ‘pit’ in hun donder. En de derde, Simon, kreeg van Jezus de bijnaam ‘Petrus’ – de rots! Hij was dus iemand waarop je kunt rekenen, waarop je kunt bouwen. Petrus, Johannes, Jacobus: Uitgerekend van deze drie wordt verteld dat zij met Jezus tot het uiterste willen gaan. Zij zijn het die luid en duidelijk beloven: ‘Al moeten wij de bittere beker met U drinken, wij zullen die drinken. Al moeten we met U sterven, we zullen U nooit verlaten’.

Laten we nu maar eerst even zeggen dat dat zeer te waarderen is. Dat deugt! Mensen die openlijk voor Jezus kiezen met heel hun hart en ziel. Die alles voor Hem over hebben. Hopelijk kennen wij ook allemaal zulke mensen: die alles voor óns over zouden hebben. Onafscheidelijke vrienden en kameraden…. Mensen, die deugen. Mensen zoals Jezus dat noemt in onze tekst, mensen met ‘een gewillige geest’. Ja, dat zegt Jezus. ‘De geest is gewillig, maar het lichaam is zwak’, zo staat het in de Nieuwe Bijbelvertaling. Ouderen hebben wellicht nog de oudere vertaling in hun hoofd. ‘De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak’. Het is zo’n uitdrukking die vanuit de Bijbel in onze Nederlandse taal terecht is gekomen. Zo’n tegeltjeswijsheid om aan de muur te hangen. En dan zou je denken dat dat in Jezus’ dagen ook al zo was. Een algemene regel, een waarheid als een koe. Maar zo is het niet. Jezus spreekt deze woorden op deze plek, op dit moment, tegen deze drie leerlingen. In de hof van Getsemane, als ‘de ure gekomen is’. Het beslissend ogenblik is aanstaande. Nu komt het erop aan. Nog even en dan komen de soldaten onder leiding van de verrader om Jezus gevangen te nemen. Juist nu spreekt Jezus over ‘de gewillige geest’ tegen deze drie leerlingen. In de eerste plaats richt hij zich tot Petrus. Nou ja, tot ‘Simon’, want van die bijnaam ‘Rots’ is niets te merken. Jezus spreekt hem dus aan met ‘Simon’ en begint met een compliment. Hij zegt: ‘Simon, jij deugt’. ‘Jouw geest is gewillig’. ‘Geest’ is in de Bijbel, in de Joodse traditie, je levenskracht. ‘Geest’ is datgene dat wij rechtstreeks van God ontvangen bij onze geboorte. Of daarvoor al. Geest is de levensadem. Dat dus wat ons bezielt. Onze ‘bezieling’, onze motivatie, onze drijfveer. En die is – in de woorden van Jezus – gewillig. Je kunt ook vertalen met ‘gedreven, enthousiast, vurig’. Daar zit het wel goed mee. Bij Simon, bij Johannes en Jacobus. Bij de meeste mensen wel. Juist in de hof van Getsemane, op het beslissende moment, zegt Jezus dit: jullie ‘deugen’. Dat willen zeggen: jullie bedoelen het goed. Jullie hebben goede voornemens. Jullie hebben zelfs mooie bemoedigende woorden gesproken. Jullie zijn enthousiast. En dat is mooi. Maar… in je enthousiasme hebben jullie ‘het vlees’ onderschat. ‘Het vlees’ dat staat in dezelfde Joodse traditie voor het menselijk gestel. Niet alleen dus voor het lichaam (van hoofd, schouder tot knie en teen), maar ook voor jullie menselijke innerlijk. Dat is zwak. Je weet niet alles. Je kunt niet alles. Je kunt niet wakker blijven, als je ogen dicht vallen. Je kunt dus niet met Jezus waken. Laat staan met Jezus sterven. ‘De geest is wel gewillig, maar jullie vlees, jullie lichaam is er te zwak voor’. Dat is de menselijke conditie, dat is je menselijke beperking. Dat is dus wat je noemt ‘je zonde’. Met het ouderwetse woord uit de catechismus: dat is jullie ‘verdorvenheid’. Dat deugt voor geen meter. Dat is fout en is niet goed te praten. De enige manier om daarvan verlost te worden is: dat niet te ontkennen, maar te belijden. Je eigen zwakte erkennen, dan je kracht ergens anders zoeken. Bij de HEER, bij God. Het enige wapen in deze menselijke strijd tussen ‘geest’ en ‘vlees’ is het contact met God. Het gebed. Het gebed om Gods Geest. De sombere Catechismuswoorden gaan verder dan ‘wij zijn onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’. Er staat nog bij: ‘…tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.’ Onze geest heeft Gods Geest nodig. Gods Geest doet ons wedergeboren worden. Geboren om opnieuw te beginnen met een schone lei. Vergeven wordt onze schuld en genezen onze zwakte. Om Jezus’ wil.

Want Jezus’ lijdensweg is een unieke weg. Een bovenmenselijke weg, die Hij alleen moest gaan. Hij stierf om ons het leven te geven. Na Zijn dood en opstanding werd de Heilige Geest uitgestort. Díe Geest kan onze geest te hulp komen. Gods Geest helpt ons om deugdzame gedachten en goedbedoelde woorden ook waar te maken. Gods Geest maakt ons – dankzij Christus - tot ‘mensen die deugen’.

Amen.