Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

De laatste vijand wordt verslagen
Kerkdienst op 22 april 2019 te Nijverdal
Tweede Paasdag


Schriftlezing: Jesaja 25:6-9 en 1 Korintiërs 15:20-28

Geluidsopname via Kerkomroep (Het Centrum Nijverdal)

“Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd.’. De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood’ ( Korintiërs 15:25-26) 

 In het Afrikaanse land Rwanda gedenkt men momenteel de ‘100 dagen tijd’. 25 jaar geleden, op 6 april 1994, begonnen slachtpartijen van fanatieke Hutu’s tegen de Tutsi’s. Naar schatting 800.000 mensen werden afgeslacht in moordpartijen die duurden tot 15 juli. De honderd dagen van Rwanda eindigden met de invasie van het Hutu-bevrijdingsleger.

Het is vergelijkbaar met wat bij ons in West-Europa plaatsvond. Nu bijna 75 jaar geleden: de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.

Gisteren, juist gisteren, eerste Paasdag, werd door terroristen dood en verderf gezaaid in Sri Lanka. Weer zijn er vele slachtoffers te betreuren. Weer rouwen nabestaanden om hun geliefden. De Paasjubel van de christenen werd gesmoord in bloed.

Paulus gebruikt voor het harde feit van de dood de uitdrukking: ‘de laatste vijand’. Hij geeft daarmee antwoord op de vraag, die ons allemaal aangaat: ‘Hoe kijk je tegen de dood aan?’. Het antwoord, dat je geeft op die vraag is bepalend voor je levenshouding. ‘Zeg mij hoe je tegen de dood aankijkt en ik zeg je hoe jij in het leven staat’. Je visie op de dood bepaalt je kijk op het leven.

Hoe kijk je tegen de dood aan? Misschien het meest voor de hand liggend is om daar een neutraal, nuchter antwoord op te geven. De dood is het ‘levenseinde’. Zo wordt er vaak over gesproken en over geschreven. Óók in de Bijbel. Het leven heeft een begin en het heeft een einde. Mensen zijn sterfelijk – als een bloem op het veld, als het gras dat verdort. Eens, vroeg of laat, vallen we af als een bloem. Eens, plotseling of geleidelijk, knakken we af als een grasspriet. Wie je ook bent, wat je ook voorstelt, wat jij je ook verbeeldt: er komt een tijd dat jij er niet meer bent. Het is goed om daarbij zo nu en dan stil te staan. Het is zelfs verstandig om over jouw eigen levenseinde eens rustig na te denken. Om dingen rondom dat levenseinde te regelen en op papier te zetten. Om erover te praten met je man, je vrouw of je kinderen. Zodat ze straks (hopelijk nog lang niet!) weten wat jouw wensen zijn. Daar help je je nabestaanden mee, ‘als het einde komt’.

Toch blijkt het niet zo makkelijk te zijn om over het levenseinde na te denken. Laat staan het te bespreken. Als het ter sprake komt, is dat één van die onderwerpen, waarvan je tegen elkaar zegt: ‘Laten we het even afkloppen’. Alsof spreken over de dood ‘de goden verzoeken’ is. Alsof je het onheil over je afroept. Dat gekke bijgeloof toont aan dat dood meer is dan een neutraal gebeuren. Dat voelt een mens bijna instinctief aan. Wie je ook bent, gelovig of niet, wat je ook gelooft: je wordt op zijn minst een beetje nerveus als het over de dood gaat. En je moet wel glashard zijn, als je niet onder de indruk raakt van de verschrikkelijke beelden van Tweede Wereldoorlog, Rwanda of Sri Lanka. Je wordt stil van een bezoek aan een concentratiekamp. Een wandeling over een ereveld van gesneuvelde soldaten. Tientallen witte kruizen in lange rijen, keurig naast elkaar. Op elk van die kruizen de naam van een jonge, veel te jonge soldaat. Of het monument uit de eigen dorpsgeschiedenis. Hier vlakbij, bij het gemeentehuis. Ter herinnering aan het bombardement in 1945. Nog meer indruk maakt het als je de verhalen erbij hoort. Van mensen die die verschrikkingen zelf hebben meegemaakt. Dat raakt je.

Dan heb ik het nog niet over het verdriet dat je voelt als de dood jouw eigen levenspad kruist. Als je zelf iemand ‘verliest aan de dood’, zoals dat heet. Ja, je ‘verliest’. Het is een groot ‘verlies’. Je hebt iemand ‘verloren’. De tegenstander was te sterk. De wedstrijd kon je niet winnen. Dan kun je niet meer ‘neutraal’, ‘koel’, ‘afstandelijk’ praten over de dood. Dan kun je je al helemaal niet voorstellen dat mensen er geintjes of grapjes over maken. Als men van de begrafenis of crematie ‘een feestje’ wil maken. Aan de dood is niets feestelijks. De dood is een ‘vijand’, zegt Paulus.

Paulus bedoelt dan vooral, dat de dood een vijand van God en van Christus is. Paulus beschrijft hoe de dood in de wereld is gekomen. Dat is met Adam begonnen, schrijft hij. Het is de erfenis die wij als mensen meekrijgen bij onze geboorte. We zijn kinderen van Adam. De dood is ‘straf op Adams ongehoorzaamheid’. In het kielzog van de zonde is de dood ons levenshuis binnengeglipt. Als ónze grote vijand. Maar – Goddank! - het is ook GODS vijand. Door de komst van Jezus Christus in onze wereld is dat gebleken. Met kerst heeft God aan de dood de oorlog verklaard. Dat kun je zien, als je Jezus aan het werk ziet. Hij geneest zieken. Hij vergeeft zondaren. Hij maakt mensen – zoals de tollenaar Zacheüs – tot andere mensen. Hij wekt zelfs de dode Lazarus, het dochtertje van Jaïrus en de jongeling van Naïn op uit de dood. En aan het kruis, door Zijn dood wordt de schuld verzoend. Adam krijgt vergeving. Gods vergeving wordt aangeboden aan al Adams kinderen. Vanaf het kruis klinkt de overwinningskreet: Het is volbracht. En als de schuld voldaan is, loopt de straf ten einde. Na de verzoening op Goede Vrijdag komt de verlossing op Pasen. Dan is er nog die éne ‘vijand’, die vernietigd moet worden. Dat is de dood. De ‘laatste’ vijand. En – lest best – de laatste is tegelijk ook de taaiste, de lastigste, de ultieme. De ‘laatste tegenstander’. Die kom je pas in de finale tegen. Daar heb je de zwaarste dobber aan. Dan moet je echt alle zeilen bijzetten.

En – zeggen we dan – op Pasen vieren we de overwinning op de dood. De steen is weg. De toegang is vrij. De poort naar het leven staat wijd open. Zeker weten! Paulus begint zijn hoofdstuk over de Opstanding met alle getuigen op te noemen, die Jezus in levenden lijve hebben gezien. Het is een voldongen feit: de HEER is waarlijk opgestaan. Maar dat feit staat niet op zich. Christus is de eerste in een rij. Allen die met Christus verbonden zijn zullen levend gemaakt worden. Zo wordt Pasen pas echt feest. Jezus leeft, wij met Hem. Met Hem gestorven in de doop, mogen we met Hem opstaan tot nieuw leven. Op oude afbeeldingen zie je Jezus uit het graf rijzen met de overwinningsvlag in zijn hand. Jezus is overwinnaar. En tegelijk weten we: we zijn er nog niet. Pasen is het begin. ‘Slechts’ het begin. ‘Het voorgoed begonnen begin’.

Typerend is dat Paulus NIET zegt ‘de laatste vijand is vernietigd’. Ook niet ‘de laatste vijand zal eenmaal vernietigd worden’. Hij spreekt in de tegenwoordige tijd: ‘De laatste vijand WORDT vernietigd’. Het is een proces, dat aan de gang is. Voorgoed begonnen op de allereerste Paasdag. Niet meer te stuiten. Definitief afgerond op de dag van de wederkomst. Zo wordt de profetie van Jesaja vervuld. De rouwsluier, het waas dat alle volken het zicht beneemt, wordt vernietigd. God de HEER doet de dood teniet. Hij wist de tranen van elk gezicht.  Daar is Jezus druk mee bezig sinds Zijn opstanding. Daar heeft Jezus alle macht in hemel en op aarde voor ontvangen. Hij is als koning druk doende om alle duivelse machten te verslaan. Alles en iedereen aan zich te onderwerpen. Zoals een koning zijn voeten zet op verslagen tegenstanders. Eén voor één moeten ze voor Hem knielen. Ook die laatste vijand moet eenmaal totaal de nek buigen. Dan is de dood voorgoed verslagen.

En tot die tijd? Tussen Opstanding en Wederkomst? Tweeduizend jaar wereldgeschiedenis liggen er tussen. Wie weet – hoe lang nog. Eeuwen van bloed, zweet en tranen. In Rwanda, Auschwitz en Sri Lanka. Eeuwen, waarvan het lied zingt: ‘Hoe achtloos in ons midden wordt het kostbaar mensenbloed gestort en in het onbarmhartig licht het kruis des Heren opgericht. De minsten van de mensen zijn daar uitgestrekt in angst en pijn. Tot aan het eind der wereld lijdt Christus in hun verlatenheid’. Jezus verslaat de dood. Maar dat gaat dan op Zijn manier. Nog steeds. Door kruis en graf naar Pasen. Door de dood naar het leven. Door de pijn en moeite heen naar de overwinning. Door de diepte van de rouw naar een weerzien zonder einde. Er is nog zoveel verdriet vanwege die verschrikkelijke laatste vijand. Maar met Pasen zingen we daarboven uit: ‘Ik zeg het allen dat Hij leeft, dat Hij is opgestaan’. Christus is opgestaan! De dood kan nog vreselijk om zich heen slaan, maar jaagt ons geen angst meer aan.

‘Vraag je hoe ik denk over de dood? Voor mij is die akelige laatste vijand ook de toegang tot het leven. Als ik moet gaan, ga ik niet alleen. Ik ga met Hem het graf in. Om met Hem weer op te staan. Dat  wordt een zware zwarte gang, maar de toekomst straalt ons tegemoet.

Hoe ik denk over de dood, bepaalt hoe ik in het leven sta. Neem bijvoorbeeld Rose Mukankaka, een vrouw uit Rwanda. Bij de genocide in 1994 verloor ze haar vader en moeder, haar broers en zussen. Zij en haar gezin overleefden de ramp. Ze dankt daarvoor de HEER. Het leven heeft ze van haar hemelse Vader gekregen. Daar is ze van overtuigd. Ze is blijkbaar niet voor niets in leven gebleven. God heeft een plan voor haar leven. Ze ontdekt haar roeping in het opvangen van weeskinderen. Zo wordt ze opnieuw moeder. Moeder van weeskinderen. De kinderen noemen haar ‘Mama Rose’.

Als de dood verslagen wordt, is het aardse leven zinvol.

Elke dag aan ons gegeven is een kostbaar geschenk.

Tot de laatste snik mag ik er zijn. Ook daarna zal ik er zijn.