Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

 

De juiste toon 
preek voor zondag 18 oktober 2020
De Regenboog, NIJVERDAL
Viering van het Heilig Avondmaal

 

De kerkdienst is ook via Kerkomroep en YouTube te beluisteren. 

“Ik zal de beker van bevrijding heffen"

Psalm 116:13a

Het lukt niet altijd om de juiste toon te vinden. Letterlijk kan het je gebeuren dat je op een ochtend vrolijk wakker wordt, je zet de radio aan en krijgt een droevig liedje te horen. Ook het tegenovergestelde kan gebeuren. Je bent in mineurstemming en dan schalt plotseling een vrolijk feestlied in je oren. Snel zet je de radio uit of schakel je over op een andere zender. Ook in de kerk, in een kerkdienst kan het gebeuren. Je zingt een klaagpsalm, terwijl je juist zo dankbaar bent. Er klinkt een vrolijk lofgezang, terwijl jij er verdrietig bijzit. De juiste toon wordt even niet getroffen.

Als Jezus en de leerlingen de Paasmaaltijd hebben gebruikt, zingen ze tot besluit een lofgezang, zo lazen we in het Evangelie. Ook dat lijkt ongepast, de verkeerde toon. Het is de laatste keer, het laatste Avondmaal van de discipelenkring. Ze gaan met elkaar de nacht naar Goede Vrijdag tegemoet. Luttele minuten later zijn ze in Getsemane. Dan strijdt Jezus zijn bittere strijd. Daarna wordt Hij verraden en gevangen genomen. Morgen sterft Hij aan het kruis. Geen goed ogenblik om een loflied te zingen, zou je denken. En toch doen ze dat. Na de maaltijd, voordat ze het onheil tegemoet gaan. Een droevig klaaglied zou een betere toon aanslaan op een avond als deze. Na het Laatste avondmaal zou je verwachten dat Jezus zou kiezen voor een gebed om de maaltijd te besluiten. Een vurig gebed om kracht en hulp voor de dingen die komen gaan.


Maar Jezus heeft niets te kiezen. Het was namelijk een Pesachmaaltijd. Het was de Sederavond van het Joodse volk die Jezus met Zijn leerlingen heeft doorgebracht. Daarvan ligt de liturgie vast. Inclusief het besluit: de slotzang. Tot besluit van elke Paasmaaltijd wordt het zogenaamde ‘Hallel’ gelezen of gezongen. Dat zijn de Psalmen 113 tot en met 118 uit (ook onze) Bijbel. Eén van die 6 Psalmen hebben wij vanmorgen ook gelezen en gezongen. Psalm 116. Dat is een danklied. Iemand brengt in deze Psalm zijn dank aan God onder woorden. Hij blikt terug op grote moeilijkheden. Levensbedreigende tegenslagen hebben hem getroffen. Banden van de dood omknelden hem. Angsten van het dodenrijk grepen hem aan. Hij voelde angst, pijn, machteloosheid, teleurstelling in God en de mensen om hem heen. Maar het is allemaal voorbij. Hij mag opgelucht ademhalen. Hij mag zijn tranen drogen, Hij mag wandelen in het land van de levenden. Vrolijk verder leven. 


Dankzij, ja als gelovig en blij mens dankt hij de HEER. De HEER heeft bewezen dat Hij luistert naar zijn gebed. De HEER is genadig en rechtvaardig gebleken. De HEER heeft hem bevrijd. Van ziekte, van vijanden, van wie of wat dan ook. Dus gaat de dichter van dit loflied naar Jeruzalem. Hij koopt daar op de veemarkt een offerdier. Een duif, een schaap, een rund… Al naar gelang zijn beurs het toelaat. En hij koopt een kruik wijn. Daarmee gaat hij naar de tempel. Het offerdier wordt door een priester op het altaar gebracht. In de voorhof van de tempel, het grote plein rondom het heiligdom, verzamelt onze dankbare pelgrim een groepje mensen om zich heen. Hij roept het uit: ‘Moet je toch eens horen hoe goed God voor mij is geweest’. Hij neemt een grote beker en schenkt de wijn uit de kruik. Boordevol. Hij heft de beker omhoog. Iedereen moet het zien. Iedereen mag het horen, dat hij de HEER lief heeft. ‘Dit is de beker van bevrijding’, roept hij. Uit die beker giet de man een klein beetje wijn op de grond – als een plengoffer. Daarna mag een ieder die wil mee-eten van het offervlees en mee-proeven van de wijn. Het wordt een vrolijke boel, als de beker rondgaat.


Ook tijdens het Laatste Avondmaal van Jezus met Zijn leerlingen gaat de beker rond. Er wordt gegeten van het Paaslam en van het brood. Er wordt wijn gedronken uit de beker. ‘Drink allen uit de beker’, zegt de HEER. Maar vrolijk wordt het niet. Tenslotte wordt de lofzang gezongen – omdat het zo hoort volgens de liturgische orde. Maar te danken en te loven valt er niets, zou je denken.
Zoals er vanmorgen hier in de kerk en bij u thuis ook niet echt een jubelstemming zal zijn. We zitten middenin de crisis. Het Coronavirus grijpt weer om zich heen. Een tweede golf. Daarmee omknellen ons weer banden van de dood. Angsten van het dodenrijk grijpen ons opnieuw aan. Angst en pijn – van onszelf, van kwetsbare familieleden en vrienden. Anders dan in de vrolijke Psalm 116 – kunnen we nog niet opgelucht ademhalen en vrolijk rondwandelen in het land van de levenden. We kunnen nog niet zingen: God heeft ons bevrijd…


Of? Of kunnen wij dat toch wél zeggen: God heeft ons bevrijd. 


Straks eten wij het brood. Daarmee gedenken wij het offer dat Jezus heeft gebracht. Hij gaf Zijn lichaam als een Lam voor ons geslacht. Straks heffen wij de beker omhoog. De beker van bevrijding, de beker van de redding. Jezus vergoot Zijn kostbaar bloed tot verzoening van onze zonden. Daarmee mogen we zien, proeven, horen: het is volbracht. De banden van de dood zijn losgemaakt. De angst voor het dodenrijk hoeft ons niet  aan te grijpen. We kunnen onze tranen drogen, want ons leven is ontrukt aan de dood. 

Middenin in onze crisis, heffen we de beker van bevrijding. We eten het brood des levens. En we zingen het loflied. Dankbaar voor wat Hij voor ons heeft gedaan. Bij voorbaat dankbaar voor wat Hij voor ons gaat doen. Hij zal ons sparen, ons bewaren, ons ontzetten van de boze en zijn macht. Want onze schuld is vergeven. Ons leven is genezen. Wij bestaan in Zijn geduld. Halleluja.