Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

DE GOEDE GROND

“Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen”  (Lucas 8:15)

‘Zouden ze wel weer komen?’. Dat is de bezorgde vraag die door kerkelijk Nederland galmt. ‘Zouden ze weer terug naar de kerk komen?’ Nu de beperkende maatregelen versoepeld zijn? Nu ‘we’ weer van alles mogen, dus ook: naar de kerkgaan? Zouden ze de weg weer terug weten te vinden – zij die voorheen trouw elke zondag of met enige regelmaat ter kerke gingen? Als een windvlaag waait deze vraag door bezorgde harten. Zouden de kerken weer zo vol worden als onder het ‘oude normaal’?

‘Niet normaal, zeg’. Ik hoor het in mijn verbeelding Petrus uitroepen. Niet normaal, wat een mensen! Ze komen van alle kanten! Een grote menigte, uit alle steden en dorpen komen op Jezus af. De Rabbi die wij volgen wordt zo zoetjes aan razend populair. Zijn genezingscampagne in Galilea begint een Galileese massabeweging te worden. Wat een succes. Niet normaal!’.

Jezus en de menigte. Is het Jezus om de menigte te doen? Natuurlijk: elk mensenkind telt. Ieder mens is een kind van de Vader. Kind van MIJN Vader, moet Jezus gedacht hebben. Hij is met ontferming bewogen over alle schapen die geen herder hebben. Dus hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Maar tot welke prijs? Een menigte is zo snel een grijze massa. Je kunt je erin verstoppen. Deel uitmaken van een menigte is vrijblijvend.

Vandaar de gelijkenis, die Jezus vertelt. In de volksmond ‘gelijkenis van de zaaier’ genoemd. Maar de gelijkenis zou met evenveel recht ‘gelijkenis van het zaad’ genoemd kunnen worden. Of – nog beter – ‘gelijkenis van de grond, van de bodem’. Want dáár draait het om. Dat maakt het verschil. De zaaier is goed. Met het zaad is niks mis. Maar valt het zaad van de zaaier wel in goede aarde? Valt het woord van God in een goed en eerlijk hart of valt het ernaast? Dan zal het geen vrucht dragen. De menigte is als een akker, maar niet overal valt het woord in goede aarde. Niet elk zaadje ontkiemt. Er gaat veel zaad verloren.

Zo maakt Jezus in zijn gelijkenis het verschil. Hij scheidt de menigte van de leerlingen. Hij roept de massa op om volgeling te worden. Hij spreekt de anonieme aan om kleur te bekennen.

Dat beleven wij ook zo in ons kerkelijk leven: De kerk is opgebouwd als een aantal concentrische cirkels. Wij hebben een harde kern. Een groep mensen die de kar trekken. De binnenste cirkel. Kerkenraad met ambtsdragers. Daar omheen contactpersonen, medewerkenden aan de kerkdiensten, administratieve vrijwilligers. Kerkbladredactie. Nieuwsbriefdrukkers en gelukkig: nog zo nog veel meer. En daar weer om heen: een ring van meer of minder meelevende gemeenteleden. Mensen die elke zondag in de kerk komen. Mensen die regelmatig thuis de kerkdienst meebeleven via TV of Internet. Mensen die bijdragen door hun gebed en hun kerkelijke bijdrage. Verder zijn er mensen die de verbinding niet zoeken. Zij die hun band met de kerk op een laag pitje hebben staan. Daarbuiten ook nog: al die mensen van ons dorp, land en wereld die niet bij een christelijke gemeente horen. De buitenkerkelijken…

Dat zijn de cirkels die wij trekken. Maar Jezus trekt die cirkels niet. Opvallend dat we van Jezus vaak lezen dat Hij zijn bijeenkomsten buiten houdt. In de open lucht. Jezus gaat elke week naar de synagoge, als Kortjakje naar de kerk. Maar buiten de kerk roept Hij de mensen samen. Daar wil Hij iedereen uitnodigen. Iedereen is welkom. Niemand wordt buitengesloten. De deur hoeft niet open, want er is geen deur. Kom maar luisteren naar Jezus woorden. Kijk maar naar Zijn wonderen. Komt allen tot Mij… Maar: weet wel dat je oren hebt om te horen.

Ja, ‘horen’. Daar gaat het Jezus om. Met horen begint het ‘erbij horen’. En als het goed is word je de cirkel binnengezogen. Je komt steeds dichter bij het hart van de zaak.

Geloof begint als wij onze oren gebruiken om te horen. Maar als het goed is komt het verder dan de oren. Dat is de bedoeling.

Wij moeten het woord niet alleen horen met onze oren. Want dan kan het gaan zoals het zaad dat valt op de weg. Het blijft niet lang liggen. De vogels pikken het op. Het woord gaat ene oor in, het andere uit.

Niet alleen horen met onze oren. Het woord moet bij ons doordringen. Anders ben je als het zaad dat op de rotsen valt. Dan ben je blij om wat je hoort, maar dan wordt het blij zijn met een dode mus. Omdat het zaad geen wortel schiet.

Niet alleen horen met onze oren. Als je niet uitkijkt, kunnen de dorens en de distels het ontkiemend zaad verstikken. Tegen onkruid is geen kruid gewassen. Van de evangelisten legt Lucas de meeste nadruk op déze categorie. De mensen die zijn als zaadjes tussen de distels. Hij wijst op het gevaar van verstikking. Dat je geloof in de knel komt en langzaam wegkwijnt. Niet door een duivel, die als een vogel het graantje oppikt. Niet door een verzengende hitte die een plantje snel doet verdorren. Maar een geleidelijk proces van geestelijke aftakeling. Zodat langzaam maar zeker het geloof op een laag pitje komt te staan.

Lucas schrijft zijn evangelie in de eerste plaats voor een zekere Theofilus. Die Theofilus was een vooraanstaand Romein. Een Romeinse ambtenaar die wel eens wat meer van het christelijk geloof wil weten. Een Romein die dus hoort bij de welgestelde burgers. Eén die staat aan de kant van de macht. Die dus niets te lijden heeft en niet veel te wensen.  Toch is Theofilus belangstellend. Hij staat bij wijze van spreken op de drempel van de kerk. Hij wil weten wat er daar binnen gebeurt. Hij staat buiten de cirkel maar is nieuwsgierig naar die Jezus uit Nazareth. Diens volgelingen beweren dat Hij uit de dood is opgestaan?  Daar wil Theofilus meer van weten. Misschien is hij te zijner tijd wel bereid om een alfacursus te volgen – als Lucas hem daartoe kan verleiden. Maar Lucas wijst deze Romein op de gevaren die hem als toehoorder bedreigen. Dat Theofilus geen steek verder komt, als hij op een afstandje blijft. Als hij wil dat het zaad van Gods woord echt ontkiemt, dan moet ook Theofilus eerst onkruid wieden. Dan moeten de distels en dorens uit zijn leven. Als drie gevaarlijke distels noemt Jezus: ‘zorgen, rijkdom en de genoegens van het leven’. Dat zijn de drie grootste gevaren voor deze gegoede Romeinse burger. Ze staan het geloof in de weg. Het zijn ook de drie grootste gevaren voor westerse gelovigen. Voor welvarende Nederlanders als wij.

‘Zorgen’ kunnen je van het geloof afbrengen. Zorgen om eten en drinken, zorgen om je gezondheid. Zorgen over je toekomst. Ze kunnen je zó in beslag nemen, dat je het vertrouwen op God verliest.

‘Rijkdom’ kan je van het geloof afbrengen. Dat hoef ik bijna niet uit te leggen. Dat zie je gebeuren. Bij anderen, bij jezelf. Als je het goed beter best krijgt in het leven. Dan denk je het zelf wel te redden. Je denkt dat je zonder God kunt. Je geld is je leven en alles is te koop. Maar het kaarsje van het geloof dat je van huis uit hebt meegekregen gaat langzaam uit. Het plantje verstikt en draagt geen vrucht.

Ook “de genoegens van het leven” kunnen het geloof verstikken. Dat je zoveel leuke dingen aan je hoofd hebt (sport en spel, uitgaan en plezier maken), dat er langzaam maar zeker geen tijd in je agenda meer overblijft. Voor God. Bijbel lezen, bidden, naar de kerk gaan: het blijft erbij. Tot je erachter komt dat je er eigenlijk niets meer mee hebt. Je kunt je wel uit laten schrijven.

“Zo kan het gaan”, waarschuwt Jezus. Met het plantje van het geloof. Als het bedreigd wordt door de drie distels: zorgen, rijkdom en de genoegens van het leven. Maar als het zaadje op goede bodem komt, gaat er iets gebeuren. Je oren worden geraakt door Gods woord. Er ontstaat ruimte. Ruimte in op de voedingsbodem van je hart. Je stelt je hart ervoor open. Je laat de HEER Zelf in je leven komen. Hij gaat jouw levensrichting bepalen. Hij gaat jouw doelen invullen.

Er zijn dan nog wel degelijk allerlei zorgen – maar je weet waar je ze kwijt kunt.

Je bent misschien wel rijk aan geld en goed, zoals Theofilus. Maar als het zaad in je hart ontkiemt, weet je van delen en dienen.

Je kunt dan zeker ook volop genieten van de genoegens van het leven. Maar je vergeet niet God te danken voor Zijn goede gaven.

Zo valt het zaad in goede aarde. En na verloop van tijd kom je steeds dichter bij de kern. Die kern is niet de kerk. Volle kerken zijn mooi, maar ze dienen het doel. Dat doel is Jezus Zelf.

Zullen ze nog wel komen? Nu het weer kan. Bij Jezus ben je altijd welkom. Hij nodigt je uit om naar voren te stappen. Uit de menigte. Kleur bekennen. Tot Jezus komen. Van buitenstaander word je Zijn leerling. Van leerling Zijn volgeling. Die weg naar binnen, naar de kern staat altijd voor iedereen open. Jezus houdt Zijn toespraken in de buitenlucht. De toegang is vrij. Je kunt bij Hem terecht. Zonder reserveren. Zonder QR-code. Zonder kosten. Je komt er achter, dat je niet meer zonder kunt. Nooit meer zonder Hem. Omdat Hij je laat groeien en bloeien in geloof, hoop en liefde.