Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

 

DE KONING OP DE EZEL

Kerkdienst op Palmzondag 14 april 2019

Kerkomroep: De Regenboog Nijverdal

14 mei 2019, 9.30 uur

Lezingen: Zacharia 9:9-10 en Lucas 19:29-40

 De leerlingen riepen: “Gezegend hij die komt als koning in de naam van de HEER! Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste” (Lucas 19:38)

Het was een ontroerend afscheid. Afgelopen zondag kwam er - voorlopig definitief – een einde aan ‘De Luizenmoeder’. Voor de enkeling die het niet weet: De Luizenmoeder is een komische televisieserie over het wel en wee van OBS De Klimop. De avonturen van de meesters, juffen, ouders, ondersteunend personeel en – last but not least – de kinderen zijn sinds afgelopen zondag voltooid verleden tijd. Het einde was grappig, maar vooral ontroerend. Gedenkwaardig hoogtepunt vond ik de woede-uitbarsting van ‘juf Ank’, de juf van de kleutergroep. Zij wordt geconfronteerd met een patserige bestuurder van de school. Hij kondigt zijn vertrek aan. Hij heeft een andere baan, die hem meer geld, meer status en een nog dikkere auto zal opleveren. Juf Ank daarentegen is in de loop van het afgelopen seizoen uit de kast gekomen als christen. Zij staat op het punt een betrekking te aanvaarden als juf op een school met de Bijbel. De toekomstige CEO schampert daarover: ‘Ga jij daar maar die sprookjes verder vertellen’. Dan ontsteekt de juf in toorn. Haar gloedvolle betoog eindigt met de woorden: “Als jij met je dikke portemonnee en je Audi A6 in het sprookje gaat zitten geloven dat je dan werkelijk wat voorstelt, dan richt ik mij op het sprookje van geloof, hoop en liefde

Geloven in het sprookje. Het is natuurlijk een inkoppertje, maar dat komt bij me boven als ik het plaatje van ‘de koning op de ezel’ zie. Het plaatje, dat past bij deze Palmzondag. Het verhaal is bekend. Jezus is vanuit Galilea opgetrokken naar Jeruzalem. Letterlijk ‘opgetrokken’. De laatste stad die Hij bezocht heeft is Jericho. Jericho ligt aan de oever van de Dode Zee, meer dan 300 meter beneden de zeespiegel. In Jericho heeft de HEER de blinde Bartimeüs genezen van zijn blindheid. En de rijke Zacheüs van zijn geldzucht. Daarna gaat de weg letterlijk omhoog. Naar Jeruzalem op pakweg 700 meter hoogte. Dus ga je ‘op’. De weg klimt duizend meter omhoog. Letterlijk. En ook figuurlijk. ‘Dit is uw opgang naar Jeruzalem’, hebben we gezongen. In deze ‘Stille Week’ gedenken we niet de afgang, maar de opgang van onze HEER. De weg naar Boven. Niet naar de ondergang. In dát ‘sprookje’ geloven wij. Dat de weg naar Getsemané, Golgotha en het graf van Jozef van Arimatea de weg naar Boven is. Langs deze weg gaat Jezus ons voor naar Zijn hemels Koninkrijk. En wie Hem volgt, komt boven. De schuld, het leed, de dood te boven.

Vandaag wordt dat ons voor ogen geschilderd door de Koning op de ezel. Heel precies heeft Jezus alles geregeld. Samen met Zijn leerlingen kiest Hij niet voor een briesend paard. Er wordt een simpel lastdier gehaald. Een ezel, zelfs een jong ezelsveulen. Een jong dier voor een nieuw begin. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Echt iets voor een koning, want die geef je geen ‘tweedehandsje’. Een Bijbels beest is het. De profeet Zacharia ziet het voor zich in zijn profetie: ‘Sion, Jeruzalem, je koning is in aantocht. Nederig komt hij aanrijden op een ezel, op een hengstveulen, het jong van een ezelin’. Rondom deze koning op de ezel is geen sprake van wapengekletter. Er komen geen zwaarden en speren aan te pas. Men zwaait met takken van de bomen. Mantels op straat dienen als rode lopers. Precies zoals Zacharia het ziet: ‘Ik zal de strijdwagens uit Efraïm verjagen en de paarden uit Jeruzalem’. Er komt ook geen leger woest schreeuwende soldaten de stad binnen marcheren. ‘Hij zal vrede stichten tussen de volken’, zegt de profeet. Er gaat een koor van juichende mensen met de koning op de ezel mee. Geen plaats voor strijdkreten en oorlogstaal. Het is een dag van vreugde. ‘Juich, Sion, Jeruzalem, schreeuw het uit van vreugde’.

Jezus zet dit Bijbels toneelstuk in scène en voert het samen met Zijn leerlingen op. De evangelisten beschrijven het – elk met hun eigen accenten. Lucas bijvoorbeeld voegt expliciet het woord ‘koning’ toe. Alsof hij ons wil zeggen: ‘Vergeet het niet: dit is koning Jezus, die daar op de ezel zit. De Zoon van David, de Messias’. Ook legt Lucas nadruk op de uitbundige blijdschap van deze gebeurtenis. Hij beschrijft hoe de leerlingen van Jezus vol vreugde en met luide stem God prijzen. In de woorden van het lied dat ze zingen laat Lucas het bekende woord ‘Hosanna’ weg. ‘Hosanna’ betekent: ‘Red ons, bevrijd ons, HEER’. Het is een noodkreet, een gebed om hulp. Lucas laat het hier bewust weg. Het gaat er hem om, dat die Koning op de ezel vrolijk wordt toegejuicht. Het moet een feest zijn. Zo’n feest waarop je even alle zorgen opzij zet… ‘Dit is een dag van zingen, van juichen, van loven…’. Het lijkt wel een vrolijke openlucht kerkdienst. Zo kennen wij ze toch hopelijk ook: vrolijke kerkdiensten! Elke kerkdienst hoort toch ook op zijn minst iets van die vreugde te hebben. Ook deze kerkdienst aan het begin van de Stille Week. Misschien niet zo uitbundig als toen op de Olijfberg. Ik vraag me af of dít wel zo de bedoeling van Jezus was. Want al is dit dan de ‘opgang’, de weg omhoog, de lijdensweg is nog erg zwaar en moeilijk. Er wacht de Koning op de ezel nog de zware strijd in Getsemane, het vernederend verhoor voor Kajafas en Pilatus, de verschrikkelijke pijn op Golgota. Daar kun je toch je ogen niet voor sluiten? En je mag je kop toch ook niet in het zand steken voor alle verschrikkelijke dingen die vandaag om ons heen gebeuren? Als de Koning op de ezel de vrede bracht, hoe komt het dan dat die vrede vaak zo ver te zoeken is? Er is zoveel oorlog en strijd – tussen landen en volken. Maar ook nog zoveel haat en nijd tussen mensen.

Opvallend dat Lucas daar – heel subtiel – niet met een boogje om heen loopt. Van het lied dat de mensen de koning op de ezel toezingen luidt de tweede regel: ‘Vrede in de hemel en eer aan de Allerhoogste’. Opvallend! Het is toch ‘Ere zij God en vrede op aarde’? Dat zongen de engelen in de kerstnacht. Maar hier, aan het begin van de lijdensweek, wordt iets anders gezongen: ‘Vrede in de hemel’. Dat betekent dus dat de vrede op aarde nog ver te zoeken is. Dat we de vrede hoog, boven ons, in de hemel kunnen vinden. Dat is trouwens wel héél wat. Dat er vrede is in de hemel. Dus dat God in de hemel niet de strijd met ons aanbindt. Dat Hij ons niet de oorlog verklaart. Dat Hij niet van plan is om ons weg te vagen of uit te roeien. Hij heeft voor ons de vrede klaar liggen. Zijn vredesaanbod. Wij krijgen vrede met God aangeboden . Díe vrede gaat de Koning op de ezel voor ons naar beneden halen. Door Zijn opgang naar den hoge. Door Zijn diepe vernedering, gaat Hij naar boven. Zo brengt Hij ons hemelse vrede. Vrede, die ons verstand te boven gaat.

Dat is de reden dat die leerlingen van de HEER zo blij zijn op de Palmzondag. Daarom beschouwen ze die Man op de ezel als hun Koning. Ze heten die Koning op de ezel hartelijk welkom in hun stad, hun huis, hun leven. Dat vervult hen met diepe, uitbundige vreugde. Het kan ook ons vervullen. ONS leven kleur en glans geven. Gods hemelse vrede uitgestort in onze harten. Zodat we gaan zingen, juichen, prijzen. Een loflied voor onze Koning die afdaalt tot in de dood om voor ons de weg naar Boven te banen.

Maar ja, dan moet je dus wel geloven in het ‘sprookje’. Tenminste: wat in de ogen van veel mensen een sprookje is. Dan kun je dus niet meer geloven in het recht van de sterkste, de rijkste, de brutaalste. Dan is veel geld, een fraaie status en een luxe leventje niet het belangrijkste meer. Dan geloof je in het sprookje van geloof, hoop en liefde. Het sprookje van ‘juf Ank’. Beter gezegd: het wonder van de Koning op de ezel. Je sluit je aan bij die optocht van Zijn leerlingen. Je schaart je bij Zijn discipelenkring.

Vanouds is Palmzondag de zondag dat mensen belijdenis van het geloof konden afleggen. Ook mijn vrouw en ik hebben dat ooit op deze zondag gedaan. In april 1980 om precies te zijn. Je geeft je ‘ja-woord’ aan de Koning op de ezel. Wij kregen toen van iemand een gedichtenbundeltje van de bekende dichteres Nel Benschop. De titel van het boekje en van het eerste gedicht is ‘Geloof je dat nog?’. In eenvoudige woorden omschrijft ze het antwoord op de vraag, die jou en mij misschien ook wel eens gesteld wordt: ‘Geloof je dat nog? Geloof je in dat ‘sprookje’? In het wonder?’

 

‘Hoe kun je nu nog in het wonder geloven, 
het wonder van God die de werelden schiep? 
In ’t vuur van Zijn liefde, dat niemand kan doven, 
in Christus, die ons tot Zijn leerlingen riep?

 

 Hoe kun je geloven dat Hij met zijn leven 
jouw losprijs betaalde aan graf en aan dood, 
dat God Hem tot vorst aan het licht heeft verheven 
en dat Hij steeds bidt voor Zijn kinderen in nood?

Hoe kun je geloven dat wie Hem verwachten 
vervuld zullen worden met vuur van de Geest 
en dat Hij terugkomt met engelenmachten, 
en dat Hij ons roept tot Zijn eeuwige feest?

 

Ik vind het vaak moeilijk, hierop te vertrouwen, 
en tussen mijn hart en mijn mond ligt een kloof; 
maar zalig zijn zij, die niet mochten aanschouwen 
en toch leerden zeggen: ‘Ja, Heer, ik geloof’.