Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Buitengewoon vriendelijk!
Kerkdienst ter afsluiting van de Week van gebed voor de eenheid van de kerken

26 januari 2020 te Nijverdal
Schriftlezing: Handelingen 27:33 - 28:10

Geluidsopname via Kerkomroep (Het Centrum Nijverdal)

“De plaatselijke bevolking gedroeg zich buitengewoon vriendelijk: ze verwelkomden ons en staken een vuur aan omdat het was gaan regenen en het koud was.” (Handelingen 28:2)

Als er iemand ‘buitengewoon vriendelijk’ tegen je doet moet je op je tellen passen. Ik weet niet hoe dat met jou is, maar ik word achterdochtig als iemand mij buitengewoon vriendelijk tegemoet treedt. Afgelopen week, het moet donderdag aan het einde van de middag geweest zijn, werd er bij ons aan de deur gebeld. Ik deed open en ik keek in het buitengewoon vriendelijke gezicht van een jongedame. Ze zei me buitengewoon vriendelijk ‘goedendag’. Buitengewoon vriendelijk vroeg ze mij of ik geïnteresseerd was in een buitengewoon vriendelijk aanbod van een energiemaatschappij. Als zo iets gebeurt, probeer ik altijd zo vriendelijk mogelijk te blijven, maar ben ik niet altijd buitengewoon vriendelijk. Ik wil zo snél mogelijk van zo iemand af. Het zal aan mij liggen, maar ik voel nattigheid bij ‘buitengewone vriendelijkheid’. Wat zit er achter een té aardig woordje, een ‘too big smile’, een té innige omhelzing? ‘Ze moeten zeker wat van mij’, denk ik dan. Buitengewone vriendelijkheid in het intermenselijk verkeer? Ik zou zeggen: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Buitengewone vriendelijkheid is het thema van deze dienst ter afsluiting van de week van gebed voor de eenheid van de kerken. Het ligt voor de hand dat daarmee bedoeld wordt: als kerken moeten we ‘buitengewoon vriendelijk’ voor elkaar zijn. Als wij elkaar buitengewone vriendelijkheid bewijzen zijn we op de goede weg. Dat is geen overbodige aansporing. Als je de kerkgeschiedenis bekijkt zijn er helaas voorbeelden te over dat kerken buitengewoon ónvriendelijk met elkaar omgingen. De geschiedenis van de christelijke kerk is er één van scheuringen, schisma’s en afscheidingen. Van ruzies, verkettering en brandstapels. Van pal staan voor het eigen gelijk. Meer ‘hete hoofden, koude harten’ dan vriendelijk omgaan met elkaar. Het is goed om dat vanavond uit te spreken. Om dat voor Gods aangezicht te belijden. Schuld belijden over wat we elkaar in het verleden aan ‘onvriendelijks’ hebben aangedaan. En dan van daaruit verder. Anders. Op een vriendelijke manier… Met als voorbeeld: De manier waarop Paulus op Malta werd ontvangen.  

Dat noemt Lucas in zijn boek Handelingen: een buitengewoon vriendelijke ontvangst. Stel je voor: een boot met 276 opvarenden vergaat voor de kust van het eiland Malta. Wonder boven wonder weten alle 276 drenkelingen de veilige kust te bereiken. Sommigen, die zwemmen kunnen, hebben het op eigen kracht gered. Anderen hebben zich vast gegrepen aan de planken en balken van het scheepswrak. Ze zijn door aanlandige wind en gunstig getij allemaal aangespoeld. Doodmoe en kledernat stappen ze één voor één het strand op. Ze hebben het gered. Tot dan toe. Maar hoe vaak gebeurt het niet, dat het alsnog verkeerd kan gaan. Wat er ná een ramp komt, kan minstens zo erg zijn als de ramp zelf. Tot overmaat van ramp gaat het op Malta regenen. De nacht valt in. Een gure najaarswind steekt op. Tot grote schrik komen hun mensen tegemoet, die onverstaanbare klanken brabbelen. De plaatselijke bevolking, de autochtonen vertonen zich. Als kapers op de kust. Lucas gebruikt hier letterlijk voor hen het woord ‘barbaren’. Hoe netjes die ‘plaatselijke bevolking’ is, moet je maar afwachten. Zijn het alleen maar ‘barbaren’ omdat ze een andere taal brabbelen? Of zijn het ook ‘barbaren’ in de betekenis die WIJ eraan verbinden: onbeschaafd, onontwikkeld, dus: niet te vertrouwen en levensgevaarlijk! Hoe vaak maken woeste eilandbewoners niet korte metten met arme drenkelingen? Inboorlingen blijken koppensnellers. Zeker als er wat te halen valt! Maar nee: op Malta niet! De ontvangst is hartelijk. Het blijft niet bij brabbelklanken. Je hoeft er ook niets achter te zoeken. Het komt van woorden tot helpende daden. De praktische hulpverlening komt snel op gang. Eerst EHBO: er wordt een vuur aangelegd, waarbij de verkleumde drenkelingen zich kunnen warmen en drogen. Daarna wordt er een locatie gezocht voor noodopvang. Dat komt er bij niemand minder dan de gouverneur van het eiland. Op zijn landgoed worden ze drie dagen lang bijzonder gastvrij onthaald. Daarna krijgen de verzwakte schepelingen nog enkele maanden onderdak verspreid over het eiland. Totdat ze geheel hersteld en met frisse kracht in staat zijn hun reis voort te zetten. De vriendelijkheid is buitengewoon, omdat het ons vooroordeel doorbreekt. Je verwacht niet van ‘barbaren’ dat ze er alles aan doen om aangespoelde sloebers te helpen. Hun hulp komt onverwacht en ongedacht! Het maakt ons eens te meer duidelijk, dat ‘anders’ zijn niet ‘minder’ zijn is. Mensen met een andere taal, met andere gewoontes blijken buitengewoon vriendelijk, als je elkaar echt ontmoet. Een wijze les – juist ook voor ons als mensen uit verschillende kerken. In de ontmoeting verdwijnen de verschillen. Als je elkaars kerkelijke taal een beetje leert begrijpen, komt er begrip en respect. Het vooroordeel verdwijnt als sneeuw voor de zon.


Voor zulke Maltezer vriendelijkheid zouden wij dus moeten gaan. In de oecumenische omgang met elkaar als kerken in Hellendoorn en op Nijverdal. Onbaatzuchtige vriendelijkheid zou ons moeten kenmerken. Niet alleen met mooie woorden, maar juist metterdaad. Dat we elkaar bijstaan. Van elkaar leren. Elkaar bemoedigen. Elkaar gastvrij ontvangen als broeders en zusters in de HEER.
Maar dan graag met elkaar ook een stapje verder. Het woord ‘vriendelijk’ dat Lucas hier gebruikt, is een woord dat wij allemaal kennen als ‘filantropie’ – ‘liefde voor de ‘anthroopoi’. ‘Liefde voor de mensen’. Als het goed is, houdt onze vriendelijkheid niet op bij de kerkdeur. Ook niet bij de kerkdeuren van een oecumenisch bolwerk. Onze vriendelijkheid zij alle mensen bekend. Juist in onze aandacht voor de drenkelingen aan ónze kusten. Letterlijk: de bootvluchtelingen die tegenwoordig niet alleen op Lesbos of Lampedusa maar zelfs al in België aangespoeld zijn. Hoe lang nog voordat de Nederlandse kust aan de beurt is? Onze vriendelijkheid, onze menslievendheid strekt zich uit tot alle mensen in nood, van welk geloof, ras of religie. Alle mensenkinderen die tussen wal en schip zijn geraakt moeten kunnen rekenen op onze vriendelijkheid.

En is dat dan ‘buitengewone’ vriendelijkheid? Te vaak komt het voor dat niet-christenen net zo achterdochtig zijn als ik. Wanneer een christen buitengewoon vriendelijk is, denkt een buitenstaander: ‘Ze moeten zeker wat van mij. Er zit vast wat achter die mooie vrome woorden. Ze zijn niet zo vriendelijk als ze zich voordoen’. Er leven bij de niet-christelijke buitenwereld veel vooroordelen tegen ons als gelovigen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we het daar zelf vaak naar maken. ‘Buitengewone vriendelijkheid’ begint daarom met praktische medemenselijkheid. De Maltezer noodhulp is ons voorbeeld. Takken sjouwen, vuur maken, warmte en licht verspreiden. Zoals de hulpverlening van de HEER Zelf ons warmte en licht heeft gegeven. Door de zending van Zijn Zoon kwam Hij ons redden. Hij daalde in Jezus Christus af in onze ‘doodszee’. Hij offerde Zijn leven belangeloos aan het kruis. Zonder enige voorwaarde vooraf. Zonder enige bijbedoeling.  
Laten we als Zijn volgelingen het woordje ‘buitengewoon’ dus maar weglaten. Gewoon is gek genoeg. Vriendelijkheid zou voor elke volgeling van Christus vanzelf moeten spreken. We zouden als christenen bekend moeten staan om onze menslievendheid. Het is al heel wat als er iemand van jou en mij zou zeggen: ‘Hij is christen. Zij is gelovig – maar ik heb hen leren kennen als vriendelijke mensen’.