Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Broederliefde

Kerkdienst op 22 april 2018 te Kudelstaart
Schriftlezing: Genesis 4:1-16 en Johannes 21:15-17

Binnenkort: geluidsopname beschikbaar 

Toen vroeg de HEER: 'waar is Abel, je broer?' 'Dat weet ik niet', antwoordde Kaïn. 'Moet ik soms waken over mijn broer' (Genesis 4:9)

 

In de zwaar beveiligde rechtbank De Bunker in Amsterdam-Osdorp wordt het proces gevoerd tegen Willem Holleeder. De vermeende topcrimineel wordt verdacht van liquidaties en afpersingen. Het proces wordt op de voet gevolgd door de pers. Bovendien is de publieke belangstelling zó groot dat bezoekers die niet in de rechtszaal kunnen het proces mogen volgen via een videoscherm. Het proces is jarenlang voorbereid. Het zal ook nog wel een heel aantal maanden, zo niet jaren, duren. Voordat de uitspraak er ligt. De verdachte ontkent ten stelligste de beschuldigingen. Vele getuigenverklaringen lijken een andere kant op te wijzen. Of de rechter het bewijs uiteindelijk afdoende vindt, moeten we afwachten.

Hoe anders ging het toe in de ‘zaak Kaïn’. Het proces tegen de man die zijn broer vermoord heeft. In de rechtszaal geen publiek, geen pers. Geen advocaten. Zelfs geen officier van justitie om de aanklacht in te dienen. Er is alleen de rechter en de aangeklaagde. De zaak is heel duidelijk: deze man heeft zijn broer vermoord. Ja, het was moord, geen doodslag. Moord met voorbedachten rade. De dader heeft het slachtoffer meegelokt naar het open veld en hem daar gedood. Er zijn geen getuigen, maar dat is ook niet nodig. De Rechter die de dader ter verantwoording roept is de ‘Rechter in het licht verheven’. Voor Hem bestaan geen geheimen. Ontkennen heeft dus geen zin. Het proces is kort maar krachtig. Het verhoor is ultrakort. Het neemt in de Bijbel slechts één vers in beslag. De schuldbekentenis volgt aarzelend, maar is duidelijk genoeg. De zaak is helder. Het vonnis wordt uitgesproken. De straf opgelegd.

Hoe wij ons deze rechtspraak moeten voorstellen, lezen we niet in de Bijbel. Er stonden geen camera’s. Er hingen geen microfoons. Er is zelfs geen officieel verslag. Zoveel dingen die wij – nieuwsgierig als we zijn – willen weten, kunnen wij niet in de Bijbel lezen. De eerste hoofdstukken van de Bijbel bieden ons geen historisch overzicht van de allereerste gebeurtenissen op aarde. Ze vertellen ons dingen die veel belangrijker zijn. Van levensbelang voor alle tijden. Hoe het zit met God en de wereld. Dat de HEER de Schepper is van hemel en aarde. Dat Hij ons mensen het leven heeft gegeven. Dat Hij aan mensen telkens weer het leven geeft. Ook mijn en jouw leven is Zijn geschenk. Wij zijn geen toevalstreffers van de oerknal. Geen schitterende ongelukjes. De HERE God heeft ons leven gewild. Hij is onze Vader. Wij mogen als Zijn kinderen op aarde leven. Dát horen we in Genesis 1 en 2. En in Genesis 3 kunnen we lezen dat het gruwelijk mis gaat als wij voor God willen spelen. Als wij zélf willen bepalen wat goed en kwaad is.

Als wij deze ‘oergeschiedenis’ lezen stappen we dus direct ónze wereld binnen. De wereld waar terroristen hun duivelse plannen uitbroeden. De wereld waar op klaarlichte dag een man wordt doodgeschoten omdat hij de broer is van een kroongetuige. De wereld waarin een president gifgas gebruikt tegen zijn eigen bevolking. De wereld dus waarin zoveel dingen gruwelijk mis gaan.

Hoe gruwelijk mis het kan gaan, wordt duidelijk als het boek Genesis vertelt over Kaïn en Abel. Twee broers. Met opvallende namen. De eerste naam, Kaïn, wordt ons uitgelegd door zijn moeder. Zij zegt: ‘Met de hulp van de HEER heb ik het leven geschonken aan een man’. Moeder Eva begroet haar oudste zoon. Met een mengeling van trots en dankbaarheid. ‘Ik heb het leven geschonken’. Eva voelt zich ‘schepster naast de Schepper’ als zij haar kind baart. Bovendien spreekt ze over haar kind als ‘een Man’. Blijkbaar heeft ze direct door dat dit kind een echte kerel, een ‘macho’ is.

Hoe anders klinkt het als zij een tweede kind ter wereld brengt. ‘Abel’ heet dat ventje. ‘Abel’ betekent zo iets als ‘briesje, zuchtje’. Abel is blijkbaar een kwetsbaar, broos poppetje. De jongste, de kleinste, het onderkruipseltje… Een kind met veel beperkingen.

Ook dat is weer iets van alle tijden. Het is het grote raadsel van de ongelijke kansen, waarmee we ter wereld komen. Kom je als Kaïn of kom je als Abel? Word je als kwartje of als dubbeltje geboren? Kaïn en Abel staan naast elkaar. Maar als mens heb je van alle twee een beetje. Soms voel ik me een sterke Kaïn; soms een zwakke Abel. Soms een hele Piet of soms een halve mislukkeling. Soms kan ik de hele wereld aan en soms voel ik me een zuchtje wind. Kaïn is sterk. Abel is zwak.

Is dat misschien de reden dat de HERE God het offer van Abel aanziet en het offer van Kaïn niet? Dat is in de Bijbeltekst weer zo’n dingetje. Die mysterieuze woorden: ‘De HEER merkte Abel en zijn offer op, maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog’. Je kunt er urenlang over twisten waarom dat nou is. Heeft God zijn lievelingetjes? Heeft Abel een streepje voor op Kaïn? En hoe weet Kaïn dat dan zo zeker? In kinderbijbels vind je nog al eens de oplossing: dat zag Kaïn aan de rook van het offer. De rook van zijn offer bleef hangen. De rook van het offer van Abel steeg omhoog. En waarom dan wel? Omdat Abel er met zijn hart bij was. Terwijl het offer voor Kaïn maar een verplicht ritueel was. Kaïn was zo’n gewoontemens, die naar de kerk gaat omdat hij dat nu eenmaal zo gewend is. Abel offerde uit volle overtuiging?

Allemaal mooi en aardig, zulke oplossingen. Maar het zijn geen antwoorden die de Bijbel ons geeft. De Bijbel stelt onze vragen niet eens. Hooguit kun je zeggen dat de HEER altijd kiest voor de zwakke, de kwetsbare, de ‘Abels’ van deze wereld. Zoals Jezus kwam om het verlorene te zoeken. ‘De eersten worden de laatsten, wie nakomt gaat voorop’. Abel kan Gods steuntje in de rug goed gebruiken. Bij Kaïn kan het wel een beetje minder.

Hoe dan ook – ‘wij’, met onze vragen… Als Kaïn voor God, de hemelse Rechter staat klinken er andere vragen. Ja, Kaïn ‘staat’ voor God. Eén van de belangrijkste Joodse gebeden is het zogenaamde ‘Achttiengebed’. In 18 of 19 coupletten wordt de Eeuwige geloofd en geprezen, gedankt en gebeden. Het gebed klinkt in vrijwel elke synagogedienst. Het wordt ook wel ‘Amida’ genoemd. Amida betekent ‘Staan’. Als het gebeden wordt, ga je staan. Niet knielen, niet zitten, maar staan. Je gaat bij dit gebed ‘voor God staan’. Je verschijnt voor Zijn aangezicht. Je kijkt de Rechter in de ogen. Hij roept je om op te staan. Om antwoord te geven op zijn vragen. Zoals een Rechter dat vraagt aan de beklaagde.

Zo staat Kaïn voor de HEER. Zo verschijnen WIJ voor de HEER. In ONS gebed. En voordat WIJ onze vragen aan God stellen, stelt de hemelse Rechter ons zijn vragen. Kaïn wordt gevraagd op te staan en oprecht te antwoorden op Gods vraag. Dat hoort bij zijn menselijkheid. Het zegt iets over ons mens-zijn. Wij zijn mensen ‘die voor God staan’. Die aan de HEER verantwoording mogen afleggen. Dat is onze menselijke waardigheid.

De vraag die de HEER stelt, gaat over de broederliefde. Het is een heel simpele vraag: ‘Waar is je broer?’. Beter gezegd: ‘waar is Abel, je broer’. Voor de HEER van hemel en aarde ben je namelijk geen naamloze. Ieder heeft een naam. Daar komt de Goede Herder om de hoek kijken. Ieder schaap kent Hij bij name. Geen nummers, maar namen; dat kenmerkt een goede herder. Dus, Kaïn, vertel op: heb jij als een goede herder Mijn schaap Abel geweid? Heb je Mijn Lammetje gehoed?’. Uit de wedervraag die Kaïn stelt blijkt dat hij de vraag drommels goed begrijpt. Kaïn vraagt terug: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’ ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’. Bij ‘hoeden’ of ‘waken’ klinkt weer het beeld van de herder mee. Een herder hoedt de schapen, weidt de schapen, waakt over de schapen. Zoals we in Psalm 121 hebben gezongen: ‘Des daags en in de nacht houdt Hij voor u de wacht’. Een herder zoekt het goede voor zijn schapen. Meestal is het dan voldoende dat hij een oogje in het zeil houdt. Dat hij dus weet, waar het schaap zich bevindt. Een schaap loopt niet aan een touwtje. Een schaap krijgt bewegingsvrijheid. De herder bemoeit zich alleen met het schaap dat te ver van de kudde afdwaalt. Waken en hoeden is wat anders dan bemoeien en betuttelen. Waken en hoeden is: er zijn als het moet. Als je me nodig hebt, zal ik er zijn. Dat gaat dus over de HEER als herder. Wat de HEER voor óns doet – waken, hoeden, zorgen. Maar het gaat dus ook over wat er van óns verwacht wordt. Onze herderlijke taak.

Hoe Kaïn zijn vraag bedoeld heeft, weet ik niet. ‘Moet ik over mijn broer waken?’. Was het onverschilligheid? Was het een oprechte vraag? ‘God, sorry, maar ik heb genoeg aan mezelf. Laat mijn broer maar voor zichzelf zorgen’. Kaïn zou wel eens heel goed in onze tijd kunnen passen. In onze tijd zijn mensen, als ik het niet te zwart zie, steeds meer op zichzelf gericht. Je bent bezig met zelfontplooiing. Je zorgt dat jij jezelf weet te redden. Je staat op eigen benen. Je hebt daarom alleen wat met een ander, als je er zelf iets mee opschiet. Als dat niet meer zo is, ‘ontvriend’ je zo iemand. Dan zet je hem of haar uit je netwerk.

‘Moet ik over mijn broer waken? Nee, natuurlijk niet. Ik heb niets met een ander te maken. Ik leef voor mezelf. Ieder voor zich en God voor ons allen. ‘Ben ik mijn broeders hoeder?.

Als je voor God staat, is het antwoord duidelijk. Hij geeft je de opdracht tot broederliefde. Als God je hemelse Vader is, ben je verbonden met ieder mens. Je vormt als mensen, man of vrouw, Adam of Eva, zwak of sterk, Kaïn of Abel één familie. Eén broederschap, zusterschap. Je bent verantwoordelijk voor je broeder. Niet voor iedereen. Je krijgt niet de hele wereldbevolking op je nek. Maar voor die ene, die de HEER op je weg brengt. Juist voor Abel, de zwakke, ben je verantwoordelijk. Weet je waar hij is? Als hij of zij je nodig heeft – ben jij er dan? Kun je hem vinden? Weet hij of zij jou te vinden?

Je krijgt – zoals Petrus – een stukje van Gods kudde onder je hoede. Een paar schapen. Een paar lammetjes. De zwakke schapen allermeest.

Als je vóór de hemelse Rechter staat vraagt Hij je: ‘Wat heb je gedaan? Weet je waar je broertje, waar je zusje is? Heb je over hem gewaakt? Heb je haar in het oog gehouden?’.

Dan moeten we vaak bekennen. ‘Ik sta hier wel, maar ik schiet daarin zoveel tekort. Ik kan God niet recht in de ogen kijken’.  

Weet dan, dat onze oudste Broeder, Gods geliefde Zoon, ons schiep voor een nieuw begin. Hij heeft ons opgezocht. Hij heeft ons vrijgekocht. Hij heeft Zijn leven gegeven. Opdat wij Hem zouden liefhebben. Door Zijn schapen te weiden, Zijn lammeren te hoeden. Door in de minste van zijn broeders Hem lief te hebben.