Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

Bij voorbaat dank

Kerkdienst op biddag voor gewas en arbeid 14 maart 2018
Schriftlezing: Jesaja 12 en Romeinen 8:26-30

geluidsopname


“Op die dag zul je zeggen: Ik zal u loven, HEER. U bent woedend op mij geweest, maar uw toorn is geweken, u troost mij. God, Hij is mijn redder. Ik heb een vast vertrouwen, ik wankel niet, want de HEER is mijn sterkte, Hij is mijn beschermer, Hij heeft mij redding gebracht” (Jesaja 12:1-2)

De Schriftlezing van vanavond lijkt op het eerste gezicht niet te passen op de dag van vandaag. Boven Jesaja 12 hebben de vertalers in de Nieuwe Bijbelvertaling het woord ‘Loflied’ geschreven. Het lied begint inderdaad met de woorden: ‘Ik zal U loven’. In het vervolg zijn lof- en dankklanken veelvuldig te horen. ‘Loof de HEER, roep zijn naam uit. Zing een lied voor de HEER. Jubel en juich’. Allemaal uitbundige halleluja-klanken. Dat lijkt niet te passen op de dag van vandaag. In een loflied wordt de HEER geprezen en gedankt voor wat Hij gedaan heeft. Maar vandaag zijn we voor iets anders bij elkaar gekomen. Om te bidden. En bidden is ‘vragen, smeken, desnoods klagen’. We vragen God of Hij in het komende seizoen de aarde wil zegenen. Dat zij een goede oogst mag voortbrengen. We smeken de HEER of Hij ons wil helpen bij ons werk. We klagen desnoods, als het ons niet voor de wind gaat. We leggen onze nood voor God neer. Je klopt op de hemelse deur. Je vraagt de hemelse Vader om je te helpen. Dat is ‘bidden’. Dat doe je op ‘bidstond voor gewas en arbeid’. Op de tweede woensdag van de maand maart.

Straks, op de eerste woensdag van de maand november, is het dankdag. Dan zijn we een halfjaar verder. Dan kunnen we terugkijken. Dan kunnen we hopelijk onze zegeningen tellen. Dan danken we – als het kan - voor de oogst, de gezondheid, de voorspoed. Maar dat moeten we toch eerst even afwachten. Wie weet wat er in de komende maanden gaat gebeuren!

Misschien worden de weersomstandigheden wel zodanig dat de oogst compleet mislukt. Veel te nat of veel te droog. Veel te koud of juist veel te heet. Je weet het nooit met die klimaatsverandering.

Misschien vallen de rooskleurige economische voorspellingen van het CPB tegen. De economische groei valt onverwacht sterk terug. De werkeloosheid loopt weer op. Bedrijven gaan failliet. Wie weet, komt er een nieuwe economische crisis. Onzekere factoren die de toekomst bepalen zijn er genoeg. Een onberekenbare Amerikaanse president. Een onvoorspelbare Russische president. Oorlogszuchtige taal uit invloedrijke monden met woorden als: ‘handelsoorlog’, ‘terrorismedreiging’, ‘cyberwar’.

Wat ons persoonlijk in de komende tijd gaat overkomen, moeten we al helemaal afwachten. Wie zegt dat ik, dat jij, dat onze vrienden en familie gespaard blijven voor ernstige ziekten of ongelukken. Niemand kan de toekomst voorspellen. Het is koffiedik kijken. Mens zijn is per definitie onzeker. Je bent speelbal van woeste golven. Soms zit het mee, soms zit het tegen, maar niemand die het je van tevoren kan vertellen.

Dus lijkt een loflied als Jesaja 12 vandaag niet op zijn plaats. Nu is dat opschrift ‘loflied’ ook niet helemaal juist. Het lied begint namelijk niet met ‘Ik zal u loven, HEER’, maar ‘Op die dag zul je zeggen: “Ik zal U loven, HEER’. De profeet Jesaja verwijst het loflied dus naar de toekomst. Het is een loflied voor later. Een danklied voor op ‘die dag’.

Om goed te begrijpen wat de profeet bedoelt met ‘die dag’ moet ik iets vertellen over de geschiedenis van Israël. Met een beetje Bijbelkennis weet je, dat Israël ten tijde van koning David en Salomo één koninkrijk was geworden. De twaalf stammen sloten zich gebroederlijk aaneen. Jeruzalem werd hoofdstad van dit Verenigd Koninkrijk. Maar het ging drieduizend jaar geleden niet anders als in onze tijd: er kwam een soort ‘Brexit’. Na Salomo, rond het jaar 930 voor Christus, ontstond er een Noordrijk van tien en een Zuidrijk van twee stammen. De hoofdstad van het Noordelijk rijk Israël was de stad Samaria. Voor het Zuidrijk Juda bleef Jeruzalem de residentie. Daar stond de tempel. Daar heerste de ‘zoon van David’. De koning stamde direct van David af.

Maar in de 8 e eeuw voor Christus verschijnt er een wereldrijk op het toneel: de Assyriërs in het Noordoosten. Met als hoofdstad Nineve. Die Assyriërs zijn niet alleen legendarische wereldveroveraars. Ze  zijn ook berucht om hun wreedheid. Ze zijn de uitvinders van moderne oorlogsvoering met strijdwagens en ander wapentuig. Ze passen ook etnische zuivering toe en maken zich schuldig aan genocide. Hele bevolkingsgroepen worden uitgemoord of verdreven van hun grondgebied. Te vergelijken met het lot van de Rohingya in onze tijd. Ook een middel als ‘economische boycot’ schuwen ze niet. Ze omsingelen een stad, totdat de honger in die stad zó hevig wordt, dat men de poort wel MOET openen. Ook het Noordrijk, het Tienstammenrijk, valt ten prooi aan hun expansiedrift. In het jaar 722 voor Christus moet de hoofdstad Samaria zich overgeven. De bevolking wordt gedood, verbannen of slaat op de vlucht. Een voor de hand liggend toevluchtsoord ligt in het zuiden: Het zuidelijke broederrijk Juda. Een vluchtelingenstroom komt op gang. Een ‘tsunami van gelukzoekers’ zullen we maar zeggen. Ze trekken naar Jeruzalem en omgeving. Om daar asiel te zoeken. We weten een heel klein beetje wat dát betekent aan chaos en binnenlandse onrust. De eerste jaren daarna houden de Assyriërs zich gedeisd. Er is in Nineve een machtsstrijd gaande. Die moet eerst beslecht worden. De grens van het vijandelijk machtsgebied ligt nog tientallen kilometers van Jeruzalem verwijderd. In en rond Jeruzalem drommen de mensen samen – zo goed en zo kwaad als dat gaat. Het wordt er benauwd. Als de Assyriërs een nieuw staatshoofd krijgen breekt de oorlog weer uit. Koning Sanherib grijpt de macht in het jaar 705 voor Christus. Hij stoomt op naar Jeruzalem. Binnen korte tijd zitten ze daar als ratten in de val. Opeengepakt binnen de muren. Onheilspellende nieuwsberichten bereiken de stad. ‘Ze zitten op 50, ze zitten op 30, ze zitten al op 10 kilometer afstand…’.

In die benarde tijd is Jesaja de profeet. Als een echte profeet brengt hij de geschiedenis in verband met God. De profeet ziet in de geschiedenis de hand van God. Die Assyrische dreiging heeft voor Jesaja alles met Gods toorn te maken. Assyrië is instrument van Gods toorn. Let wel: Gods toorn is geen gril of grol. Geen emotionele woedeaanval, waarbij iemand alles kort en klein slaat. De toorn van God is in de Bijbel altijd een middel dat God gebruikt om Zijn volk op het goede pad terug te krijgen. Het is de hartstocht van de minnaar die Zijn geliefde voor zich terug hoopt te winnen. De toorn van God is de keerzijde van Zijn liefde. Jesaja ziet dat de machtige HEER van hemel en aarde die Assyriërs gebruikt om Zijn volk tot inkeer te brengen. Daarom looft hij God voor Zijn toorn. ‘Ik zal U loven, HEER. U bent woedend op mij geweest’. In de oorspronkelijke tekst staat het nog scherper: ‘Ik zal U loven, HEER, omdat U toornig op mij bent geweest’.

Dat staat waarschijnlijk ver van onze geloofsbeleving af. Dat zullen wij Jesaja niet zo snel nazeggen. Dat oorlog, verwoesting, natuurrampen Gods middel zijn om de mensheid tot bekering te brengen. Dat doet ons teveel denken aan de boetepredikers die na de watersnoodramp in 1953 zeiden, dat de Zeeuwen het aan zichzelf te wijten hadden. Dat God Zelf alle vreselijke dingen die ons overkomen op ons afstuurt. Dat kunnen wij zo niet zien.

Maar dan moeten we bedenken dat de profeet Jesaja, dat de Bijbel, dat ook niet van ons vraagt. In elk geval NOG niet. Wat Jesaja tegen het doodsbange volk binnen de muren van de stad Jeruzalem zegt is: ‘Er komt een dag, dat Gods toorn is geweken. Er komt een dag, waarop Hij ons troost. Er komt een dag dat wij Hem weer dus danken en loven kunnen’.

Die dag is in de geschiedenis van Jeruzalem inderdaad gekomen. Na een langdurig beleg van de stad door koning Sanherib, gebeurt er iets wonderlijks. Plotseling, in de nacht, breekt er een dodelijke ziekte uit onder de Assyrische soldaten. Een epidemie, die razendsnel om zich heen grijpt. Het leger wordt zo verzwakt, dat ze het beleg van Jeruzalem opbreken en hals over kop wegvluchten. De stad komt vrij. De Bevrijdingsdag is aangebroken. Te vergelijken met onze eigen bevrijdingsdag.

Dat bedoelt Jesaja met ‘die dag’. ‘Op die dag’ is er alle reden om de HEER te danken en een loflied aan te heffen. ‘Op die dag’ kan gezongen worden: ‘God is mijn redder. Hij is mijn sterkte. Hij is mijn beschermer, Hij heeft mij redding gebracht’. ‘Op die dag’ klinkt het loflied. Achteraf. Uit de monden van de bevrijde inwoners van de stad Jeruzalem.

Zo kan het ook in ons leven gaan. Er zijn dagen dat we helemaal geen reden hebben om te danken. We voelen ons – als de inwoners van Jeruzalem – in het nauw gedreven. We hebben te kampen met tegenslagen. We raken opgesloten in de kleine ruimte van ons eigen verdriet en pijn. We worden ingesloten door duizend zorgen, duizend doden, die ons angstig hart kwellen. We zitten diep in de put en zien geen uitkomst meer. Eerlijk gezegd hebben we dan niet altijd behoefte aan mensen die ons vertellen dat het eenmaal anders zal worden. Die ons zeggen, dat er altijd licht is aan het einde van de tunnel. Dat achter de wolken de zon schijnt. Als je dat allemaal niet ziet, heb je er ook geen boodschap aan.

Als er Eén is die dat begrijpt, is dat onze hemelse Vader. Als er Iemand is, die naast ons in de put komt zitten, is het de Heilige Geest. Zo schrijft Paulus het in de brief aan de Romeinen. ‘De Geest helpt ons in onze zwakheid’. Als wij niet meer weten wat wij bidden moeten, pleit de Geest voor ons. Als wij zuchtend door het leven gaat, zucht de Geest met ons mee. Maar dan LAAT God ons ook niet in de put. Er komt redding. Er komt een bevrijdingsdag. En misschien kun je nu wel een moment bedenken – een dag, een periode van bevrijding in je leven. De dag, dat je echt door de HEER geholpen werd. De dag, dat je bevrijdend nieuws te horen kreeg. De dag dat je echt wist: de HEER troost mij. Hij beschermt mij. Hij geeft mij kracht. Misschien ken je zo’n dag, waarop het loflied in je hart niet meer te stuiten was.

Hoe dan ook: de grote, de allergrootste Bevrijdingsdag is voor ons allemaal al geweest. Op de Paasmorgen, toen Jezus Christus opstond uit het graf. Op die dag brak het nieuwe leven aan. We hebben sindsdien altijd Pasen in de rug. Die dag is zonneklaar gebleken dat niets ons ooit kan scheiden van de liefde van God. Dat Gods liefde zelfs sterker is dan de dood. Daarom mogen wij altijd vol vertrouwen vooruit zien. We kunnen dus eigenlijk elke dag onze hemelse Vader loven. Om wat Hij voor ons heeft gedaan in de dood en opstanding van Zijn Zoon.

Vanuit dat geloof kunnen we Gods hand ook ontdekken in ons eigen leven. We mogen erop vertrouwen, dat alle dingen meewerken ten goede. Dat onze weg, hoe moeilijk ook, ons nader brengt tot Hem.

In dat geloof kunnen we al onze zorgen en noden in ons gebed voor Hem neerleggen. In dat vertrouwen kunnen wij Hem loven en bij voorbaat danken.