Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE KUDELSTAART

BEVRIJDINGSNACHT
Zondag 9 juli 2017
Kinderen nemen afscheid van de kindernevendienst

Lezing: Exodus 12:29-42 en Lucas 2:41-52

Download opname
Kerkdienst 9 juli 2017
9 juli 2017.mp3 (37.51MB)
Download opname
Kerkdienst 9 juli 2017
9 juli 2017.mp3 (37.51MB)

 

"Die nacht waakte de HEER om hen uit Egypte weg te leiden. Daarom waken de Israëlieten nog altijd in deze nacht ter ere van de HEER, elke generatie opnieuw" (Exodus 12:42)

Geloofsopvoeding is een lastige klus. Hoe geven we het evangelie door aan onze kinderen? Hoe zorgt de kerk dat ook de volgende generatie nog bij het geloof en naar de kerk komt? Er is al heel wat over gezegd en geschreven, een pasklaar antwoord is er niet. Menig ouder vraagt zich af: hoe pak ik het aan? ‘Bij de doop of bij het opdragen heb ik beloofd om het evangelie aan onze kinderen door te geven. Een belofte waar ik helemaal achter sta, maar hoe maken we het waar? We kunnen onze kinderen niet dwingen. Helemaal vrij laten is ook niet goed. Dus zoek je naar iets tussen dwang en vrijblijvendheid’. 
Achteraf, als de kinderen volwassen zijn en zo op het oog niet erg betrokken meer bij kerk en geloof, vraagt menig ouder zich af: ‘Wat heb ik verkeerd gedaan? Heb ik wel genoeg gedaan? Wat had ik anders moeten doen?’. Je komt er achter dat je het geloof van je kinderen niet in de hand hebt. Ook in dit opzicht moet je ze loslaten. Accepteren dat ze eigen wegen gaan. Soms met pijn in het hart.
Hoe geef ik het evangelie door? Het antwoord ligt voor de hand. Verhalen vertellen! Bijbelverhalen. Dat gaan we doen. Je leest kinderen voor uit de kinderbijbel. Na de maaltijd of voor het slapen gaan. Ook op school krijgen ze Bijbelverhalen te horen. Als ze vier jaar oud zijn kunnen ze naar de kindernevendienst. Ook daar wordt hun Bijbelkennis vergroot. Dat is nooit weg, maar het is niet alles. Met Bijbelkennis alleen kom je niet tot geloof. Het moet ze raken. Het is dus heel wat als iemand verhalen zo kan vertellen dat ze je raken. Het is fijn om terug te denken aan die meester of juf op school die de verhalen zó kon vertellen, dat je er helemaal in mee werd genomen. Je reisde als het ware mee naar de Bijbelse tijd. Je liep een eindje op met Bijbelse figuren. Je klimt in gedachten achter Abraham aan, als hij met Isaak de berg op gaat om hem te offeren. Je kijkt over de schouder van David mee als hij zijn steentje op Goliath afvuurt. ‘Pats! Precies raak!’ Of – om het bij de evangelielezing van vanmorgen te houden – je dwaalt met Jozef en Maria wanhopig mee door de straten van Jeruzalem. ‘Jezus is weg! Waar zit Hij nu toch?’. 


Dat verhaal van de twaalfjarige Jezus in de tempel is trouwens een goed voorbeeld van geloofsopvoeding. Want ja, Jozef en Maria hadden natuurlijk kunnen weten, dat Jezus in de tempel te vinden was. De tempel is voor Hem het Vaderhuis. Dat was wellicht een beetje dom van hen. Maar ze zijn ons ten voorbeeld in geloofsopvoeding. Door hun zoon mee te nemen naar Jeruzalem. De enige manier om het geloof door te geven is je kinderen – figuurlijk én letterlijk – mee nemen. Letterlijk: Meenemen naar de kerk. Figuurlijk: meenemen naar God de Vader, naar het Vaderhuis. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen.
Jezus, Jozef en Maria vieren in Jeruzalem het Pesachfeest. In de Joodse traditie is dat feest het prototype voor geloofsopvoeding. Vooral de eerste avond en nacht: de Sederavond. Het is de avond, waarop de Joden de uittocht uit Egypte gedenken. Het is bevrijdingsnacht. Op die avond hoeven de kinderen niet vroeg naar bed, maar mogen ze opblijven. Oud én jong nemen deel aan de herdenkingsmaaltijd, de Sedermaaltijd. Er wordt op die avond niet alleen een verhaal verteld – het wordt ook uitgebeeld. Voor kinderen is luisteren niet genoeg. Er moet op zijn minst ook wat te zien zijn. Dat geldt ook voor de meeste volwassenen trouwens. Oren en ogen mag je gebruiken. Op de tafel van Pesach zijn dus de dingen te zien die herinneren aan de uittocht uit Egypte. Meer nog: je kunt ze proeven. Er staan bijvoorbeeld bittere kruiden op tafel, herinnering aan de bittere tijden van slavernij. Er staat een bakje met zout water. Dat doet denken aan de tranen die gevloeid hebben. Er ligt ook een lamsboutje. Herinnering aan het paaslam, waarvan het bloed op de deur werd gesmeerd. En natuurlijk zijn er matses, het ongezuurde brood. Ongezuurd omdat er in die laatste nacht geen tijd meer was om het brood te laten rijzen. Hals over kop kwam het sein tot bevrijding.

Tijdens de viering van de Sedermaaltijd worden de kinderen er volledig bij betrokken. Ze zitten er niet voor spek en bonen bij. Zoals ik vroeger in de kerk zat bij een lange saaie preek. Al helemaal als er Avondmaal werd gevierd. Je kunt bijna zeggen dat kinderen in de nacht van Pesach de hoofdrol spelen. Zij mogen mee eten, meezingen met leuke liedjes en meebidden met de gebeden. Er is voor hen zelfs een speurtocht. Ze moeten een stukje verstopte matses opzoeken. Maar het belangrijkste is: ze mogen vragen stellen. Elke geloofsopvoeding begint met vragen stellen. Kinderen moeten vooral vragen gaan stellen. In de nacht van Pesach stellen kinderen de vragen: ‘Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten? Waarom eten we matses en geen gewoon brood? Waarom staan die bittere kruiden op tafel?’. Zo kan het verhaal verteld worden. Meer dan dat. Zo kan het verhaal beleefd en ervaren worden. Een herinnering, meer dan een herinnering. Een her - beleving, een beleving ‘opnieuw’ van wat lang geleden plaats vond. Zodat het iets van henzelf wordt. De bedoeling van het Pesachfeest is altijd dat je het beleeft alsof je er zelf bij bent. Sterker nog: je bént er zelf bij. Wat heel lang geleden gebeurd is (die bevrijding uit Egypte) geldt ook nu voor jou. JIJ bent bevrijd uit Egypte. JIJ bent geen slaaf meer van de Farao of welke dictator dan ook. Jij bent een vrij kind van Abraham. JIJ hoort bij het volk van God. Jij staat onder de hoede van de God van Israël. 
Wat voor de Joden geldt, mag ook voor ons als gemeente van Christus gelden. Als we denken aan de Paasmaaltijd, denken wij direct ook aan het laatste Avondmaal. Toen Jezus het brood brak en sprak: Dit is mijn lichaam - voor jou. Toen Hij de beker rondgaf en zei: Dit is mijn bloed vergoten - voor jou. Jezus is gestorven voor jou, voor mij. En Hij is opgestaan voor mij. 
Ook de doop zegt het ons: Met Jezus ben ik gestorven en opgestaan. Wat op Golgotha gebeurd is, is met mij gebeurd. IK ben gestorven. Wat op Paasmorgen gebeurd is, is ook met mij gebeurd: Ik ben opgestaan tot nieuw leven. ‘Jezus leeft en ik met Hem’. 
De kern van geloofsopvoeding is dát aan je kinderen duidelijk maken. Om hem of haar te vertellen wat het betekent om gedoopt te zijn. ‘Ook jij bent door Jezus verlost. Jij bent geen slaaf van wie of wat dan ook. Je bent vrij. Jij bent geen kind van de duivel. Je bent een kind van God. Net zoals voor Jezus is God ook jouw hemelse Vader. Je kunt dus net als Jezus altijd terecht in Zijn huis. Je bent bij God de Vader altijd welkom. Al ben je een verloren zoon of dochter. De HEER blijft je Vader. Hij houdt van je. Hij zorgt voor je. Hij waakt over je. Zelfs als het nacht wordt in je leven. Zelfs als duisternis je overvalt. Juist dan is Hij er voor jou.   
Niet voor niets wordt de maaltijd van het Joodse Paasfeest ’s avonds en ’s nachts gehouden. Juist in de duisternis is de HEER nabij. Als wij slapen, waakt hij. God waakte in de nacht van de bevrijding. In de bevrijdingsnacht waken de Israëlieten omdat God waakt. De kinderen mogen het meemaken. Meebeleven. Om vragen op te roepen.
Als vader zijn zoon heel laat op de avond naar bed brengt vraagt het kind: ‘Waarom mochten we vanavond opblijven, pap? Het is al midden in de nacht. Waarom hoefden we niet op tijd naar bed?’. 
Het antwoord luidt: ‘Omdat we gedenken dat de HEER wakker is als het bij ons nacht is. Wij bleven vanavond wakker, omdat God wakker is’.
‘Maar, pap, hoe bedoel je? Kan God dan slapen en weer wakker worden?’.
‘Eh, jongen, nee… De HEER slaapt nooit. Hij sluimert niet, Hij slaapt niet. Hij is altijd wakker’.
‘Zo zeg, wat knap! Is God zó sterk dan, dat Hij geen slaap nodig heeft?’
‘ZO sterk, jongen. Gelukkig maar, want daarom kan Hij altijd voor ons zorgen. Hij waakt over ons. Altijd’.  
‘Dat snap ik niet, pap’.
‘Ik ook niet, jongen, maar dat geloof ik. Daar vertrouw ik op. Het is met God de Vader als met jouw eigen vader en moeder. Als jij ’s nachts wakker wordt en het is pikdonker, hoef je niet bang te zijn. Mama en ik houden over jou de wacht. Als je ons roept, dan komen we direct. Dan staan we bij je bed. We staan altijd voor je klaar. Zo is het ook met God. Als jij Hem nodig hebt, is Hij er voor je. Je kunt Hem altijd te hulp roepen’.
‘Maar, pap, nog één vraag: ‘Hoe zit dan dat met Tijn?’
‘Tijn? Hoe bedoel je?’
‘Ik bedoel: Tijn van de nagellak. Je weet wel: dat jongetje dat zo ziek was. Dat samen met zijn vader een actie begon. Geld ophalen met nagels lakken… Tweemiljoen euro voor zieke kinderen. Maar nu is hij zelf gestorven… Hoe zit dat dan? Was God even niet wakker, pap? Heeft God toch even zitten slapen?’
‘Wat een moeilijke vragen, jongen, ik weet niet of ik je dat uit kan leggen. Ik weet het zelf ook niet zo precies… Maar ik vertrouw erop dat God je Vader blijft, ook als je dood bent. Als je een kind van God bent, zal Hij je nooit laten vallen’. 
‘Slaap lekker, jongen’.
‘Welterusten, pap’.