Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

Als een adelaar
Verkondiging op zondag 27 maart 2022
Doop van Sarah, Boaz, Karlijn, Floor en Esmée

De Regenboog te Nijverdal

Schriftlezingen: Deuteronomium 32:8-14 en Johannes 14:1-6


“Zoals een arend zijn nest beschermt en boven zijn jongen zweeft, zo spreidde de HEER zijn vleugels uit en droeg zijn volk op zijn wieken” (Deuteronomium 32:11)

Met een kerkdienst zoals deze varen we tegen de stroom in. De stroom van onze Nederlandse maatschappij. Afgelopen week bleek uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau dat nog maar één derde van de Nederlandse bevolking in God gelooft. Anderen geloven misschien nog in ’iets’, iets spiritueels. Veel anderen zijn agnost - ze weten het niet. Of atheïst - ze geloven niet in God of iets goddelijks. De trend is lang geleden ingezet. Deze trend zet zich door. Als er vanmorgen in deze dienst dus vijf kinderen gedoopt worden is dat niet vanzelfsprekend. We gaan tegen de stroom in. Jullie, als doopouders en jullie allen, als gemeenteleden, horen bij een steeds kleiner wordende minderheidsgroep. Als we de statistieken moeten geloven zullen Esmee, Boaz, Sarah, Floor en Karlijn groot worden in een steeds verder ongelovige omgeving. Er zal steeds meer en steeds vaker aan ons gevraagd worden: geloof jij nog? Of we stellen onszelf die vraag: ‘waarom geloof ik nog?’. Waarom vind ik, in tegenstelling tot vele anderen, die band met God, dat verbond met de HEER zo belangrijk? Voor onszelf en ook voor onze kinderen?

Wat betekent God voor mij? Dat is een vraag die je waarschijnlijk niet zo makkelijk kunt beantwoorden. Ook al geloven we in God – God is voor ons geen gesneden koek. Ook wij twijfelen aan Zijn bestaan. Ook wij vragen ons wel eens af: waar is Hij nu? Zeker in deze roerige tijden van pandemie en oorlog in Europa. Wij krijgen vanmorgen bij die vraag hulp van Mozes. Mozes houdt aan het einde van zijn aardse leven een toespraak tot Israël, zijn volk. Hij wil nog één keer bij zijn afscheid het belangrijkste zeggen. Zijn volk nog één keer vertellen, waar het hem, waar het de HERE God om te doen is. De toespraak vindt plaats op de drempel van het beloofde land. Veertig jaar geleden was het Joodse volk bevrijd uit Egypte. Veertig jaar lang hebben ze door de woestijn gezworven. Dat was zwaar. In de onherbergzame wildernis is eten en drinken niet zo maar voorhanden. Toch zijn ze erdoor gekomen. Ze staan op het punt het land van melk en honing in te trekken.

‘Dat is niet zo maar’, zegt Mozes, als ik het even zo mag samenvatten. ‘Dat is niet zo maar toevallig. Het is niet dat wij toevallig geluk hebben gehad. Nee: dat is aan onze God te danken. In dat verband gebruikt Mozes een beeld. Hij vergelijkt de HERE God met een arend. Taalgeleerden verschillen erover van mening welke vogel Mozes precies bedoelt. Het kan ook zijn dat het Hebreeuwse woord dat hij gebruikt niet een arend, maar een gier aanduidt. Een gier staat bij ons nogal slecht bekend. Ons woord ‘gierig’ is er van afgeleid. Vergeleken worden met een aasgier is niet echt een compliment. Maar in de oud-oosterse wereld was de gier een koninklijke vogel. Symbool van kracht en majesteit. Zoals bij ons de adelaar, dus houden wij het daar maar bij. En wie wel eens een arend of een gier door het luchtruim heeft zien zweven, ziet waar Mozes het over heeft. Zo’n vogel staat boven in de lucht, gedragen door de opwaartse kracht van de wind en gaat hoger en hoger. Urenlang kunnen ze dat volhouden. En dat met die fabelachtig scherpe blik. Met zijn of haar ‘arendsogen’ houdt de arend één ding scherp in de gaten: zijn nest. Het nest met de één of twee jongen. Van tijd tot tijd daalt de arend neer om een stukje prooi aan de jongen te voeren of een roofdier of slang van het nest te verjagen. En weg is hij weer.

‘Zo is God’, zegt Mozes. Als een arend die boven zijn nest zweeft om zijn jongen te beschermen. Dat sluit – denk ik – heel goed aan bij ons gevoel, bij ons geloof. Net als de arend hebben we God niet altijd dichtbij ons zitten. We voelen niet altijd Gods warmte. We zien Hem niet bij wijze van spreken op de rand van ons nest. Soms lijkt Hij ver weg. Als we om ons heen kijken, is Hij niet direct te vinden. Als we naar boven kijken, zien we hoog boven ons misschien een heel klein stipje van vermoeden. Of zelfs dat niet eens. We voelen God niet altijd heel dichtbij ons. En dat is ook de bedoeling. Dat doet Hij bewust. Hij geeft ons het leven en daarmee de vrijheid. Hij voorziet ons van goede gaven. Eten en drinken, kracht en gezondheid, plezier in het leven, lieve mensen om ons heen. Daar mogen we hem voor danken. Danken voor elke nieuwe morgen, elke nieuwe dag, dat ik leven mag. Maar God geeft ons ook verantwoordelijkheid. We mogen ons leven zelf invullen. Met zijn leefregels. Met liefde voor onszelf en voor onze medemens. Zo  worden we geboren. Zo groeien wij op. En als we groot genoeg zijn, mogen we onze eigen vleugels uitslaan. Daarbij geloven we in de HERE God, als was Hij een arend die boven ons zweeft. Die ons met scherpe blik in het oog houdt. Om te zien of wij de goede wegen kiezen. Maar ook om over ons te waken. Dag en nacht houdt de HEER getrouw de wacht. Daarom is het zo mooi en waardevol om te geloven. Dan weet je dat je er in het leven nooit alleen voor staat. Er is er één, groter, machtiger dan jij, die over je waakt.

Maar er is nog meer. Want als ik het zo zeg, klinkt het wel wat erg romantisch. Zo rozengeur en maneschijn is het leven niet. Voor het volk Israël was de woestijntijd één grote uitdaging. De hitte, de droogte, het dolen en dwalen. De weg kwijt zijn. Het niet meer zien zitten. Vijanden op de hielen. Roofdieren op de loer. Een struggle for life, een strijd om het bestaan. Zoals het ook in ons leven zo maar plotseling woestijntijd kan zijn. Door tegenslagen. Met onze eigen gezondheid of met één van onze kinderen, kleinkinderen. Met verdriet om een geliefde die ons ontvalt. Maar juist ook dan kan het geloof je helpen. Juist dan geeft het houvast te weten dat God er is. Ook dan helpt het beeld van de adelaar.

En nu waag ik me een beetje op het gladde ijs van dingen waar ik geen verstand van heb. Ik ben geen bioloog of ‘ornitholoog’, geen vogeldeskundige. Er zijn namelijk mensen die het beeld van de arend nog wat verder doortrekken. Dat gaat dan over het moment dat het arendskuiken groot genoeg is om het warme nest te verlaten. De veren van de vleugels zijn sterk genoeg. Het jong probeert vast eens wat te klapperen in de beperkte ruimte van het nest. Voorzichtig, want een arendsnest zit hoog. Bij ons in een hoge boom. In de woestijn, op de rand van een afgrond, van een diep ravijn. Levensgevaarlijk! Dat gaat  niet zo maar, die eerste keer. En toch moet je eruit. Dus voorzichtig kijk je over het randje… En je springt. Je jonge vleugeltjes gespreid, waag je de sprong. En het lukt. Je kunt het – of toch niet. Je valt omlaag. Je voelt de zwaartekracht. Vrije val in de diepte. De harde grond, de ondergang snelt je tegemoet. Je fladdert wanhopig met je laatste krachten. Als je echt niet meer kunt, is de redding nabij. Dan duikt moeder of vader arend onder je door. Dan vangt ze je op. Draagt je op zijn vleugels. Brengt je terug naar het nest. Daarna mag je het weer proberen.

Of dat nu écht zo gaat in de vrije natuur – dat durf ik niet te zeggen. Maar wat ik wel durf te zeggen is dat het zo gaat met de HERE God en Zijn kinderen. Als je in God gelooft, zeg je daarmee: Er is er Eén die me opvangt, als ik val. Hij zal niet toestaan dat ik me te pletter val. Onder mij duikt Hij. Dus mag ik het proberen. Ik mag mijn vleugels uitslaan. Durven te leven. Niet bang om fouten te maken. In het volste vertrouwen dat mijn HEER mij veilig thuis brengt. Naar dat ‘beloofde land van God’. Of, zoals Jezus het noemt: ‘Het huis van mijn Vader’. Door zijn dood aan het kruis heeft Hij daar voor ons een plaats bereid. Een veilig nest. ‘Ik zal jullie met me meenenem, en dan zullen jullie zijn, waar Ik ben’.

Wat betekent geloof voor mij? Wat kan ik anderen vertellen? Wat mogen we onze kinderen meegeven. “Leef, met volle teugen. Sla je vleugels maar uit. Vlieg alle kanten uit. Vergeet daarbij je Schepper niet. Hij geeft je de vrijheid om er te zijn. Heb je medemens lief als jezelf. Vertrouw er op dat Hij is als een arend. Boven je met zijn wakende ogen. Onder je om je op te vangen in Zijn eeuwige armen.