Website ds. Hans van Dalen

PREDIKANT TE NIJVERDAL

ADEMRUIMTE

 Kerkdienst op 11 april 2021 in De Regenboog te Nijverdal

Schriftlezingen: Ezechiël 37:1-14 en Johannes 20:19-23

Deze kerkdienst is te beluisteren en bekijken via kerkomroep.nl en Youtube


‘Blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven’ (Ezechiël 37:9b)
“Na deze woorden blies Hij over hen heen” (Johannes 20:22a)


Zonder lucht kun je niet leven. Als een kaars in een afgesloten ruimte staat en dus geen lucht krijgt, wordt langzaam maar zeker het vlammetje kleiner. Uiteindelijk dooft het licht helemaal. De kaars is uit. Mensen worden wel eens met een kaars vergeleken. In het kinderliedje zijn wij ‘kaarsjes in de nacht’. Of we hebben het aan het einde van het leven over ‘het kaarsje, dat langzaam uitgaat’.

Ook over lucht hebben we zo onze gezegden. Wij spreken over een luchtje scheppen, op adem komen of over een frisse wind, die ergens gaat waaien. In een bedompte kamer zetten we dus een raampje open. We laten frisse lucht binnen stromen. ‘Hè, hè: DAAR knapt een mens van op!’.Ons kaarsje heeft lucht nodig. Letterlijk en figuurlijk. Je hebt als mens behoefte aan ‘ademruimte’.

De leerlingen van de HEER zitten op de avond van de allereerste Paasdag bij elkaar. Ze zitten achter gesloten deuren. Binnen hangt de bedompte lucht van de angst. Angst voor de autoriteiten. De volgelingen van Jezus happen naar lucht. Het was ook een adembenemende dag geweest. De berichten hebben elkaar opgevolgd - zonder adempauze. Om te beginnen waren er de vrouwen, die buiten adem kwamen aanrennen met het ongelofelijke bericht: De HEER is waarlijk opgestaan! Ook sommige leerlingen hadden het gezien en gehoord. Maar is het allemaal niet te mooi om waar te zijn? Zijn het geen luchtkastelen? Kun je oren en ogen wel geloven?

Hoog tijd, dat deuren en ramen openzwaaien - dat er een frisse wind gaat waaien in de kring. Maar wie moet daarvoor zorgen? Wie brengt nieuwe spirit, lucht, wind, adem, geest?

In de Bijbel is er een woord, dat op al deze verschillende manieren vertaald kan worden: het woord ‘roeach’ uit het Hebreeuws; pneuma in het Grieks. Bekend van ons goed Nederlandse woord ‘pneumatisch’. ‘Roeach’, ‘pneuma’ betekent: lucht, wind, adem, geest.

In Ezechiël 37 komt dat woord ‘roeach’ verschillende malen voor. Het wordt dan ook verschillend weergegeven in het Nederlands. Wind, adem, geest, windstreken zelfs. Geest is wind is lucht is adem. Zonder adem kun je niet leven.

In het visioen van Ezechiël is dat het grote probleem. Hij ziet voor zich iets verschrikkelijks. Een “dal vol beenderen”. Een slagveld, waar een grote veldslag heeft gewoed. Veel soldaten zijn gesneuveld. De legers zijn verder getrokken, maar hun doden moesten zij achterlaten. Er was geen tijd om die lijken rustig te begraven. Dat is vreselijk - geen tijd om je doden te begraven. Het toppunt van wanhoop en verschrikking. Dat je gestorven strijdmakkers moet laten liggen, waar ze gevallen zijn. In de buitenlucht. Zonder hen de laatste eer te kunnen bewijzen. Als prooi voor hyena's, raven en gieren. Zij pikken het vlees. Daarna gaat de zon op in haar kracht. De beenderen en botten verdorren als planten zonder wortel. Dorre doodsbeenderen…

Je kunt ook denken aan de verschrikkelijke beelden van massagraven, die soms toevallig gevonden worden en blootgelegd. Gruwelijke resten van een dictatoriaal schrikbewind. Bedekt met een laag grond. Naamlozen bij elkaar geveegd. Daar zijn geen woorden voor.

Maar Ezechiël ziet iets gebeuren. Een groot wonder! Hij ziet de omgekeerde wereld. De film van doodgaan wordt teruggedraaid. Botten en beenderen komen in beweging. Zij voegen zich aaneen tot geraamten. Er komt vlees op die skeletten en er komen spieren op. Het worden weer mensen. Mensen van vlees en bloed. Met een menselijk gezicht. Ze zijn weer herkenbaar. Als JIJ en IK van elkaar onderscheiden. Daar liggen ze dan. Als waren ze pas gestorven. Niet meer aangetast door de tand des tijds. Gaaf en... vredig, zoals doden er vredig bij kunnen liggen. Het lijkt wel of ze slapen.

Ja, maar deze doden worden niet zo maar wakker. Er zit geen leven in. Daar is meer voor nodig. Daar is lucht voor nodig. Daar is adem voor nodig. De GEEST van God moet komen om leven in te blazen. Zonder die frisse lucht is het onvolkomen. Zonder levensadem zullen die doden daar blijven liggen en zal weer hetzelfde gebeuren. De vuilnismannen van de natuur, de aasgieren en hyena’s zullen opnieuw komen aansluipen om hun werk te doen. De zon zal weer gaan schijnen - even fel en onverbiddelijk. Het verdorren zal van voren af aan beginnen.

Ezechiël moet daarom doorgaan met profeteren. In Gods Naam moet hij spreken: “Kom uit de vier windstreken, wind, roeach, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven”. Dan wordt woord werkelijkheid. Het ultieme wonder gebeurt: het wonder van het leven. De nieuwe schepping wordt compleet met de opstanding uit de doden.

Dit visioen van Ezechiël gaat niet in de eerste plaats over het opstaan van - letterlijke - doden. De “wederopstanding des vlezes”, zoals dat genoemd wordt in de geloofsbelijdenis. Het gaat in de eerste plaats over het volk Israël. Israël verblijft op dit moment in de Babylonische ballingschap. Ezechiël is één van diegenen, die weggevoerd is naar Babel. Ver van huis en haard. Ver van de Godsstad Jeruzalem. Afgesneden van de bron van het leven. De geschiedenis van Israël dreigt als een nachtkaarsje uit te gaan. De mensen aan Babels stromen zijn wanhopig: "Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden”. Begrijpelijk, die wanhoop. Wat moet er terecht komen van dat kleine volkje, als het geen eigen, vrij land heeft om in te wonen? Dan gaat het als met gesneuvelden op een slagveld. Ze vergaan tot er niets van over blijft dan stoffelijk overschot. Vergeten volk. Ten dode opgeschreven. Eén groot massagraf, bedekt door grond van heidense bodem. Langzaam maar zeker dooft het kaarsje van Israël.

Maar Ezechiël ziet hoop. Hoop op leven na de dood van Babel. Als wonder van God. Het onmogelijke gebeurt: De opstanding der doden gaat beginnen. Omdat de Geest gaat waaien. Gods adem gaat levend maken. Het volk Israël zal herleven! Gods volk wordt bevrijd uit Babel. Het krijgt nieuwe ademruimte in het eigen land.

Zo is het telkens weer gegaan. Gods volk Israël ging talloze malen langs de rand van de afgrond. Op sterven na dood. Een klein flakkerend vlammetje. Verstrooid onder de volkeren. Vervolgd, gesmaad, vergast en gecremeerd. Massagraven vol dorre doodsbeenderen of zelfs dat niet eens. De Endlösung was in 1945 bijna compleet. Maar kijk nu eens: Het volk Israël leeft! Springlevend. In het eigen land. Ondanks alle mitsen en maaren. Zonder alle politiek ermee goed te praten. Je mag zeggen: Dat is het wonder van de twintigste eeuw. De Almachtige heeft Zijn belofte waargemaakt. Het licht op de zevenarmige kandelaar is niet gedoofd.

En dat geeft de burger moed. Ook wij, christenen, mogen daardoor opademen. Want ook voor de christelijke kerk geldt de belofte. Ook voor ons is het de Adem van dezelfde God van Israël, die levend maakt.

Je kunt je veel zorgen maken over de kerk. De kerk is op haar retour. Ledenaantallen lopen terug. Aantallen kerkgangers worden minder. We vragen ons af of de Coronacrisis niet de genadeklap zal geven. Niet meer naar de kerk kunnen. Niet meer samen mogen zingen. Geen massale kerkdiensten meer. Is dat tijdelijk? Of komt het nooit meer goed?

We lijken in veel opzichten op dat kleine groepje volgelingen van Jezus - op de avond van de allereerste paasdag. Achter gesloten deuren - in de bedompte kamer. Geïsoleerd. In quarantaine. Angstig kruipen we in ons klein hoekje. Hoe zal het gaan? Kunnen we nog wel geloven, dat het echt waar is? Is het wel echt zo, wat we altijd beleden hebben: ‘Jezus leeft’? Het klinkt ons soms zo onwerkelijk in de oren. Wat komt er nog van terecht? Is de kerk ook het nachtkaarsje, dat langzaam uitgaat bij gebrek aan frisse lucht? Hoe is het met mijn eigen geloof? Is dat vlammetje ook aan het flakkeren geslagen? Je bent ooit zo enthousiast begonnen. Je denkt er nog wel eens aan terug: De dag van je belijdenis. Of de dag, dat je je kind ten doop hield. De doopkaars werd aangestoken. De kaars van je geloof brandde fel en geestdriftig. Maar het is allang niet meer zo. Levensgrote vragen knijpen de keel dicht. Het lijkt alsof er een stolp over het kaarsje gekomen is. Zuurstofgebrek. Ademnood. Er is nog maar een piepklein vlammetje over. Soms nauwelijks voldoende om de eigen duisternis te verdrijven. Laat staan de duisternis van een ander. Hoe kan ik weer opvlammen? Wie geeft mij levensadem? Wie brengt mij nieuwe lucht? Als Gods adem niet over ons komt, dan loopt het op niets uit. Dan dooft het licht.

Maar wat moeten wij dan? Je kunt toch niet lijdelijk toezien, hoe het licht langzaam uitgaat? Moeten wij wachten op de Geest, de wind, de adem van boven? Afwachten?

Nou nee, niet afwachten. Wel: verwachten. De HEER moet het doen, de Geest moet het doen. De levendmakende Geest is Gods geschenk. Je kunt als mens de wind niet laten waaien. Het is altijd weer een onbegrijpelijk wonder, als God leven geeft. Leven aan een mensenkind. Leven aan Zijn volk Israël. Leven aan ons kleine geloof, aan onze kerk. De HEER moet het doen - met Zijn Geest.

Maar laten wij die HEER dan blijven zoeken. Je kunt de leerlingen op Pasen heel wat verwijten, maar ze zochten het in elk geval bij elkaar. In de kleine kring. De fout van Thomas was niet zo zeer zijn ongeloof. Daar hadden alle leerlingen mee te kampen. Het was dom van Thomas, dat hij het allemaal alleen wilde rooien. Dat hij geen behoefte had aan de gemeenschap. Had Jezus niet gezegd: ‘Waar twee of drie in mijn Naam vergaderd zijn: daar ben Ik in uw midden’? 

En daar gebeurt het. In de kring. In de gesloten kamer komt Jezus. Hij spreekt: ‘Vrede zij u!’ En Hij blaast over hen heen. Nieuwe lucht, nieuwe adem, nieuw leven voor verdoofde leerlingen. Ademruimte. En straks, 50 dagen na Pasen, vliegen ramen en deuren open door een geweldige windvlaag. Pasen wordt Pinksteren. De Geest blaast in de longen. Gods grote reanimatie komt op gang.

Ik hoop, dat jij dat bij tijd en wijle ook zo ervaart. Dat de Geest gaat waaien. Ook in deze tijd. Hier in de kerk, maar ook: in de huiskamer. Achter de TV of de laptop. Wat mogen we blij zijn met de technische middelen, die ons in staat stellen met elkaar verbonden te blijven. Elkaar op te zoeken – al is het dan digitaal. Ook die middelen gebruikt God. De Geest kan ons ook bereiken via het Internet.

De HEER geeft ons ademruimte. Bij het horen van een lied, door de klanken van muziek, via de woorden van een preek of tijdens een moment van weldadige stilte. Het gaat weer even een beetje waaien in je leven. Een licht briesje. Er gaat een raampje open. Frisse lucht stroomt de kamer binnen. Daar leef je van op. Je geloof komt weer tot leven. Je hoort je naam. Je staat op uit de dood. Je wordt begroet in Jezus’ Naam: ‘Genade voor jou! Vrede zij u!’

De God, die Israël het leven geeft, wil ook onze God en Vader zijn. Hij wil ook ons ontmoeten en beademen. Onder Zijn Woord is er ademruimte. Nacht wordt morgen, bevrijd van zorgen. De Geest des HEREN komt, heeft het graf ontsloten. Elke blijde dag is ons Zijn woord tot leven.